is toegevoegd aan je favorieten.

Handleiding tot de paardenkennis voor de cadetten der cavalerie en artillerie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

287

§ 111. De vooeknie.

Knie, voorknie of beter handwortel (le genou; das Vorderknie; the knee) (fig. 29 n°. 30) noemt men het samengestelde gewricht, dat tusschen den voorarm en de pijp ligt. Men onderscheidt daaraan een voor-, een uit- en inwendige en een achtervlakte, ook wel de kniebuiging (le pli du genou; die Kniekehle oder Kniebeuge) genoemd. De huid is op de knie weinig verschuifbaar en steeds iets dikker dan op andere plaatsen van het been.

De knie moet in een verticale richting van den voorarm in de pijp overgaan en zoowel van voren als van ter zijde gezien breed zijn; door dit laatste wordt de stoot over een grootere vlakte verdeeld en heeft het gewricht en ook het geheele voorbeen, vooral bij snelle bewegingen, minder te lijden. Bij een sterke knie zijn de breedte-afmetingen der voor- en zijvlakte ongeveer aan elkander gelijk. De voorvlakte is dan zoowel van boven naar beneden als ook naar ter zijde gewelfd en steekt, van ter zijde gezien, weinig of niet uit buiten de voorvlakte van den onderarm en de pijp.

De breedte van de zijvlakte wordt voornamelijk bepaald door de grootte van het haakbeentje; is dit sterk ontwikkeld en recht naar achteren gelegen, dan is de zijvlakte der knie breed (flg. 42). Onder het haakbeentje mag de breedte der knie slechts weinig en langzamerhand afnemen, hetgeen wijst op een goede verbinding met de pijp (flg. 31). Bestaat echter onder het haakbeentje een sterke verdieping, zooals dit gewoonlijk bij slappe buigspieren van de knie voorkomt, dan geeft dit zwakheid van het voorbeen te kennen. Men zegt hiervan wel eens zeer oneigenlijk: „het paard heeft geen goede achterknie" (tendon failli; eingeschnürte oder gedrosselte Knie) en bedoelt daarmede dan, dat het achterste gedeelte van de zij vlakte der voorknie, met name het haakbeentje en diens overgang in de pezen, niet voldoende ontwikkeld is (flg. 46).

Intusschen dient niet over het hoofd gezien, dat een grootere breedte van onderarm en knie schijnbaar dikwijls een sterker uitsnijding onder het haakbeentje ten gevolge heeft (flg. 70). Het kan daarom, voor een juist oordeel, nuttig zijn om den omvang van het been, onmiddellijk onder het haakbeentje, te meten. Bedraagt deze bij een paard van 1,60 M. 21—23 cM., dan is het aldaar krachtig ontwikkeld.

Een kleine, ronde knie (genou de veau) gaat meestal ook met een schralen voorarm gepaard en maakt het paard zwak op de voorbeenen.