Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

364

Deze breking van den schok wordt bewerkt door:

a. De elasticiteit van den hoef. In den hoef doet zich de stoot natuurlijk het eerst en het sterkst gevoelen, maar hij wordt daar verzwakt door de veerkracht van sommige deelen, welke later zullen worden beschreven bij de behandeling van den hoef.

b. De hoeken, die de beenderen met elkander vormen. Hierdoor plant de stoot zich niet rechtuit voort, doch neemt hij bij eiken hoek af. Hij kan aldaar worden ontbonden in een kracht die langs het been gaat en een welke daar loodrecht op staat, en waarvan alleen de eerste den schok voortplant, terwijl de andere kracht aanleiding geeft tot uitrekking der banden, pezen en spieren, die den gewrichtshoek steunen.

De inrichting van het onderste gedeelte der beenen, de onderlinge stand namelijk en de verbinding van het pijpbeen, het kootbeen, het kroonbeen en het hoef been, dit alles oefent grooten invloed uit op het breken van den stoot.

Reeds in het hoefgewricht wordt de schok gebroken en door tusschenkomst van het straalbeen gedeeltelijk overgebracht op de buigpees en de veerkrachtige deelen waarop deze rust; ook heeft een, hoewel zeer geringe, breking plaats in het kroongewricht, terwijl zij in veel sterker mate te voorschijn treedt in het kootgewricht. Onder de drukking van het lichaam buigt dit gewricht door (het paard treedt door in de koot), te meer, naarmate de stoot zich sterker doet gevoelen. Deze verliest daarbij echter een zeer groot en aan de mate van doorbuiging evenredig deel zijner kracht, dat door tusschenkomst der sesambeentjes wordt overgebracht op hun banden, inzonderheid op den veerkrachtigen schortband en op de er achter gelegen buigpezen.

De doorbuiging in het kootgewricht en de breking van den stoot zijn sterker, naarmate het koot- en het kroonbeen langer zijn en een schuiner stand hebben; zij zijn zwakker naarmate deze beenderen korter zijn en steiler staan. De stoot van het been tegen den grond zet zich alsdan in veel sterker mate tot in den romp voort en wordt uit den rug van het paard overgebracht op den ruiter, wanneer deze in den zadel neerkomt. Vandaar dat paarden met steile, en gewoonlijk tevens korte kooten, een stootenden gang hebben en daarentegen bij de vele goede volbloeden Engelsche halfbloed-paarden, die meestal buigzame lange en schuine kooten hebben, de bewegingen aangenaam en veerkrachtig zijn. Intusschen heeft ook de rug hierop grooten invloed en is het duidelijk dat het neerkomen op een veerend gespannen rug veel zachter en aangenamer zal zijn dan op een krampachtig gespannen of op een doorgezakten rug.

Sluiten