Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

378

voorstellen, zou men ze van 110—133 in een cirkel kunnen plaatsen. Slaat men eerst flg. 132 gade, dan ziet men dat het rechter achterbeen op het punt is van opgelicht te worden en in fig. 138 opgelicht is. In de daaropvolgende figuren 133, 110, 111, 112, 113, 114, 115 en 116 blijft het opgelicht, terwijl het in de figu^ ren 117, 118 en 119 tegelijk met het andere achterbeen den grond raakt; in de figuren 120, 121, 122, 123, 124, 125, 126 en 127 is het het eenige achterbeen dat steunt, en inde figuren 128, 129, 130 en 131 zijn weder beide achterbeenen met den grond in aanraking.

De figuren doen dus uitkomen, dat het rechter achterbeen bij 16 der figuren op den grond is en bij 8 ervan is opgelicht, terwijl bij 8 van de 16 figuren de romp door beide achterbeenen wordt gedragen. De hoofdperiode van het steunen is hier dus langer dan die van het zweven, hoewel er natuurlijk oogenblikken zijn, dat het been wel met den grond in aanraking is, doch niet meer steunt, als bijv. in fig. 132.

De oogenblikken, dat het paard met beide achter- of voorbeenen tegelijk den bodem raakt, worden gebruikt om het gewicht van het eene been op het andere over te brengen, alvorens het eerste kan worden opgelicht; zij worden overgangsperioden geheeten. Deze oogenblikken duren langer naarmate het paard meer overstapt, dus een grooteren pas maakt, daar er dan meer tijd noodig is voor het overbrengen van het gewicht. In den normalen en nog meer in den verkorten stap, welke laatste weder dichter bij den niet-zwevenden draf ligt, worden de passen korter; het gewicht kan dus vlugger van het eene been op het andere" worden overgebracht en de duur van de ondersteuning, door twee achter- of voorbeenen te gelijk, zal worden verminderd.

In de fig. 133 en 110 was de basis diagonaal, in 111 en 112 tripedaal links achter, in 113, 114, 115 en 116lateraal, in 117 en 118 tripedaal links vóór, in 119, 120, 121 en 122 diagonaal in 123 tripedaal rechts achter, in 124,125, 126,127lateraal in 128, 129 tripedaal rechts vóór, in 131 en 132 diagonaal. '

In de 24 figuren zijn dus ongeveer 8 ondersteuningen diagonaal 8 lateraal en 8 tripedaal; worden de laatste korter, dus bijeen normalen stap, dan duren de diagonale langer. De duur van de laterale basis is de helft van den gezamenlijken tijd der diagonale en tnpedale basissen; worden de tripedale dus zoo kort, dat men ze niet m rekening brengt, dan kan de duur van de zijdelingsche ondersteuning de helft van dien der diagonale worden

Het-inde figuren 110-133 weergegeven paard gaat niet geheel regelmatig, daar anders de duur der verschillende gelijknamige ondersteuningen telkens even groot moest zijn. Vergelijkt men de

Sluiten