Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

395

een voorbeen werkzaam zal wezen. Omgekeerd zal een paard met een gebrek aan het linker achterbeen derhalve het liefst links galoppeeren. Sommige zijn het tegenovergesteld gevoelen toegedaan en . meenen dat in den rechtschen galop het rechter achterbeen den zwaarsten arbeid heeft te verrichten, zoodat,, om een achterbeen te sparen, de galop moet worden aangenomen aan de tegenovergestelde zijde. Heeft het paard dus bijv. een gebrek aan het rechter achterbeen, dan zal het liefst links galoppeeren.

Wanneer een paard een voorbeen wil sparen, zal het den galop aan die zijde aannemen, dus als het rechter voorbeen gespaard moet worden, rechts galoppeeren. Ook dit wordt door enkelen bestreden.

In het algemeen mag worden aangenomen dat zoo een paard hetzij een voorbeen of een achterbeen wil sparen, het den galop aan de zijde van dit been zal aannemen.

Zoowel de proeven van Marey betreffende de drukking in den galop door de vier hoeven op den bodem uitgeoefend, als de practische waarnemingen van erkende hippologen bevestigen dit.

De sterkte van het middeltempo is in Nederland voor de bereden artillerie: 350 M., en in den sterken galop 400 M. per minuut, voor de cavalerie is deze 400 M.

De galopsprong in de figuren 153—172 is circa 3 M., terwijl de afstand tusschen den eersten en den derden hoefslag bijna 2.70 M. is; het paard stapt ongeveer 0,3 M. met het linker achterbeen voorbij het rechter voorbeen en is dus in een iets meer dan normalen galop.

Was.het reeds" moeilijk een gemiddelde lengte voor een volkomen pas in stap of in draf vast te stellen, en werd er op gewezen dat men niet absoluut aan de opgegeven getallen moet hechten, doch deze alleen dient te beschouwen als geschikt om een vergelijking te kunnen maken tusschen de snelheden van hetzelfde paard in stap, draf, telgang, enz., dit is voor den galop nog meer het geval. Men zal dat beter beseffen door een paar uiterste gevallen te vergelijken, die hierzullen worden aangehaald. Een stalmeester van koning Lodewijk XIV reed schoolgalop over een afstand van 150 pas en had daarvoor 45 minuten noodig. Hij legde dus per minuut 2,5 M. af, terwijl er thans renpaarden zijn, die in den tijd van één minuut ongeveer 1000 M. zullen galoppeeren. Waar dus zulke verbazende verschillen bestaan, kan men begrijpen, dat het onmogelijk is een gemiddelde snelheid vast te stellen.

Sluiten