is toegevoegd aan uw favorieten.

Feestelijke ommegang : bloemlezing uit het leven van een 20ste eeuwer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

bedienden steken met veel moeite de ouderwetsche gazolinekronen voor ons op en stellen ons in de gelegenheid voor het eerst zoo'n merkwaardig gesprek aan te hooren waarbij de meerdere het laag-Javaansch (een heel wat welluidender taal dan het mengelmoes-Maleisch), de mindere het hoog-Javaansch gebruikt.

Dat is dan dus de soos, leestafel, waaraan ik dadelijk neerplof, om vluchtig kennis te maken met de Indische scheld- en ruziepers (gelooft me, bijna niets dan kleine lokale oneenigheden 1), en met enkele Hollandsche en andere Europeesche illustraties, die ik in Amsterdam al op mijn gemak bekeek, toen ik er nog niet aan dacht naar Indië te gaan; speciale edities van de Rotterdammer en andere Hollandsche kranten, sommige blijkbaar alleen met dat nieuws, dat voor de Hollandsche kolonie hier geschikt en hcht genoeg wordt geacht. Dan een paar biljarts en wat speeltafeltjes met luie stoelen. Het is niet moeilijk zich hier de bijbehoorende witte menschen met hun speelkaarten, hun babbeltjes en pait-jes in te denken. Ik weet niet, of Indië mij in dit opzicht wel heel aangenaam zal zijn.

Na een nacht van warmte en ellende aan boord, op een boot, die vanwege de veiligheid (onze patrijspoorten liggen ter hoogte van den wal) aan alle kanten is dichtgestopt, zien we dan de goddelijke Indische natuur in het volle gouden zonlicht.

Wat een weelde van vol groen, dichte zware kruinen naast ranke klappers en breede waaierpalmen, als pauwstaarten ontplooid. Wat een bloemen in alle kleuren en gedaanten. Vlinders, zoo groot als zwaluwen, met getande blauw-groen-gloeiende vleugels. Donkere bergwouden, de bodem bedekt met meterhooge bladeren van een of andere onbekende vorstelijke bloem. Vogels als dwarrelende orchideeën van de zeldzaamste teekening en de uiteenloopendste grootte, van het kleine rijstvogeltje, half zoo groot als onze huismusch, tot de groote kiekendief, de vischarend, die in breede vlucht, meest zwevend, onbeweeglijk op den prachtigen kop na met den scherpgebogen snavel, over baai en bosschen strijkt.

Straks, als de regen, waarop in dezen tijd de natuur vaak in benauwende stilte ligt te wachten, met klaterend geweld over de zee komt gevaren, een grijs gordijn, dat snel den geheelen horizon met bergen, bosschen, golven en schepen verdoezelt, dan leeft heel deze overdadige natuur met verjongde kracht weer op. Er zijn, bladeren, die zich naar boven omkrullen tot