Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CIRCULAIRE van den Minister van Binnenlandsche Zaken dd. 23 Februari 1914, No. 1508, afd. B.B., betreffende de pensionneering van ambtenaren aan openbare instellingen van weldadigheid, aan Heeren Gedeputeerde Staten der provinciën.

Bij nader overleg ben ik met den Minister van Financiën van oordeel, dat de meening, kenbaar gemaakt in mijne circulaire dd. 18 December jl. No. 8890, afd. B.B. verduidelijking behoeft in dien zin, dat de ambtenaren bij openbare instellingen van weldadigheid als gemeenteambtenaren in den zin van de Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913 zijn te beschouwen, wanneer bij voldoening aan de overige, in art. 2 A, a, dier wet gestelde vereischten, hunne wedden uit gemeentelijk subsidie worden gekweten. In elk concreet geval zal aan de hand van door het betrokken gemeentebestuur te verstrekken gegevens worden beoordeeld of de wedde uit het gemeentelijk subsidie wordt betaald. Om allen twijfel te dien opzichte in de toekomst weg te nemen, is het wenschelijk, dat in het vervolg een deel van het subsidie tot het bedrag, dat in het geheel aan salarissen wordt uitgekeerd door het gemeentebestuur uitdrukkelijk voor betaling van de traktementen wordt aangewezen.

Ik heb de eer Uw College te verzoeken de besturen der gemeenten Uwer provincie hiermede spoedig in kennis te stellefl.

Sluiten