is toegevoegd aan uw favorieten.

In Nederland's bloemvelden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

HOOFDSTUK IX.

aan de anderen dan aan zich zeiven. Om hem tevreden te stellen, moesten soms de Fraters, die bij hem waakten, eerst een glas bessensap aannemen, dat hij van huis had ontvangen. „Dit komt van moeder," zeide hij, „en het smaakt hier zoo lekker onder ons." Op een der laatste dagen van zijn leven was hij zeer bedroefd: hij had vergeten met St. Henricus zijn gelukwenschen aan te bieden aan een Professor en aan een Frater, die hem zeer dikwijls kwamen bezoeken; hij verweet zich dit verzuim als een groote ondankbaarheid. Sommigen Fraters, wanneer zij alleen bij zijn ziekbed stonden, wees hij in allen eenvoud op het een of ander gebrek, dat zij dienden te bestrijden, omdat het hun eigen geluk hinderlijk in den weg zou staan en schade zoü doen aan de vruchtbaarheid van hun lateren priesterlijken arbeid. Uit hun eigen mond vernamen wij, hoe de Fraters dezen waren vriend dankbaar bleven én voor den liefdevollen dienst, én voor het heerlijk tactgevoel, waarmede, hij werd bewezen. Zijne dierbare ouders vooral werden niet vergeten. Was zijn laatste schriftelijke arbeid een opstel geweest ten gunste van de Voortplanting des Oeloofs en der H. Kindsheid,?) de laatste' brief, dien hij schreef, was die voor vaders verjaardag. Sedert de ziekte had toegenomen, wilde hij toch altijd een „Goeden dag" of een woordje van dank neerschrijven onder het klein verslag, dat dagelijks

?) Dit opstel had hij geschreven voor een bijeenkomst van „Utile Dulci", een Seminaristenkring, die, door Frater Hofstee mede tot stand gebracht,' nog steeds onder onze studenten bloeit, door het „aangename" van broederlijke samenwerking en gedachtenwisseling in dienst te stellen van de zoo „nuttige" beoefening der Hollandsche taal. Frater Hofstee had dan ook een vloeienden en levendigen Nederlandschen stijl. Hij stond o.a. op taalzuivering. Zijn ongewrongen smaak voelde hoegenaamd geen „sympathie" voor hoogdravende en vreemde uitdrukkingen en verwierp het „streven naar en gebruiken v a n" zinnswendingen te kwader ure van het ambtelijke naar het gewone leven overgebracht. De eigenaardigheden van het Vlaamsche taaleigen waren hem integendeel zeer lief, en Guido Gezelle telde, na Vondel en Schaepman, onder zijn meest gelezen dichters.