is toegevoegd aan uw favorieten.

De Chineezen ter Oostkust van Sumatra

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

of gemiddeld per maand:

in 1912 ƒ 520.418

in 1913 „568.049

in 1914 „ 580.724

Deze cijfers zullen we op dezelfde wijze indeelen als wij deden met die van den opium. Wij komen dan tot het volgende resultaat: 1912—1913 1912—1914 (prijs ƒ6) (prijs ƒ8)

ƒ6.402.276 ƒ7.138.904

Hieruit blijkt dat, ondanks het feit dat het opiumverbruik met 16.37 pet. verminderd is, de opbrengst van het artikel met ƒ736.628 of 11V2 petomhoog is gegaan. Men zou nu kunnen meenen, dat bij een bevolkingstoewas van 16 pet. deze vermeerdering der opbrengst met ƒ736.628 zeer normaal was. Dat zou zij kunnen zijn, indien in de opbrengst der regie in de drie jaren, dat zij thans werkt, een geleidelijke, duidelijk waarneembare stijging zat. Deze nu ontbreekt ten eenenmale. Vóór de prijsverhooging ziet men het volgende: De eerste 4 maanden van 1912, dat de regie werkt, stijgt de opbrengst van ruim ƒ404.000 tot ƒ534.000; deze sterke stijging moet echter worden toegeschreven aan het feit, dat de regie zich onder het koelievolk nog eerst haar bestaansrecht moest veroveren en nog niet direct overal vlot werkte.

Eerst in Augustus bereikt de verkoop een bedrag van ƒ550.447, dat in October klimt tot ƒ565.000, maar de overige maanden, tot Mei van het volgend jaar, — (Juni blijft buiten beschouwing, daar in deze maand de opiumverbruikers nog wilden profiteeren van den ouden prijs en een grooten voorraad insloegen) — een gemiddelde bereikt van ƒ534.631. Na de invoering van den verhoogden prijs echter ziet men de opbrengst plotseling, in de maand Augustus 1913, stijgen tot ƒ588.241, terwijl die nog in Mei daaraan voorafgaan de ƒ558.030 was; dit beteekent dus een plotselinge vermeerdering van ƒ30.000. Als de opiumverbruikers hun ontstemming over de prijsverhooging hebben overwonnen, brengen zij in September ƒ608.663 op, in October ƒ613.254 en in December ƒ628.938, terwijl het gemiddelde voor de zeven volgende maanden bedraagt ƒ589.802.

Hieruit, en vooral uit den [plotselingen overgang van Mei op Augustus 1913, valt op te maken, dat de meerdere opbrengst van den opium niet het gevolg is van het feit, dat het aantal verbruikers in groote mate gestegen is, maar hoofdzakelijk komt uit de beurzen van hen die reeds opium schoven bij den ouden prijs.

De vraag rijst nu, of het de bedoeling, althans het resultaat der tegenv»$ordige opium-politiek mag zijn, beslag te leggen op een grooter deel van het arbeidsloon van den koelie dan hij eertijds besteedde voor het genot van den opium.

Ware het dat bij een' prijs van ƒ8.— het opiumkwaad finaal werd onderdrukt, dan zou het niet van groote beteekenis zijn, dat de koelie tijdelijk wat meer van zijn loon afschuift. Maar nu dit niet zoo is, zal de regeering