is toegevoegd aan uw favorieten.

Cesar de Melville

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

Zoo was dan het doodvonnis over Frankrijks rampzaligen Koning uitgesproken. Het werd hem op den 20 Januari bekend gemaakt, met bijvoeging dat het op last der Nationale Conventie binnen 24 uren voltrokken zou worden. Hij was er evenwel reeds van onderricht door de Malesherbes, die, in tranen badende, zich aan zijne voeten nederwierp, juist toen hij, met de elbogen op de tafel leunende, in diepe gedachten verzonken was. Hij drukte den grijsaard aan zijn hart en zeide: „Als gij mij bemint, waarom misgunt gij mij dan het eenige toevluchtsoord, dat mij na zoovele slagen des ongeluks overblijft; gij gelooft immers aan mijn onschuld ? welke vrees kan mij dan de dood inboezemen? Zie, ik ben sedert twee uren bezig om na te denken, of ik in den loop mijner regeering van mijne onderdanen het geringste verwijt heb kunnen verdienen; ik zweer het u, waarde de Malesherbes! in de geheele waarheid van mijn hart en als een mensch, die op het punt staat voor God te verschijnen, ik heb bestendig het geluk mijns volks gewild en nooit een wensch gevormd, die er mede strijdig was."

Het eenige verlangen, dat den Koning overbleef, was voor zijn dood een Katholiek priester bij zich te hebben, om gesterkt te worden op zijne groote reis naar de eeuwigheid; doch daar hij de goddeloosheid en de hardvochtigheid zijner rechters kende, vreesde hij dat geluk niet te zullen deelachtig worden. De Malesherbes belastte zich in weerwil van alle gevaar, dat hierin voor hem zeiven lag, met het verzoek bij de Nationale Conventie, en ofschoon vele leden tegen deze dwaze bijgeloovigheid, zooals zij het noemden, hunne stem verhieven, werd toch het verzoek ingewilligd. Nu belastte zich de moedige priester de Firmont den Koning in zijne laatste oogenblikken bij te staan. Lodewijk kon zijne tranen niet weerhouden, toen de priester bij hem binnentrad; zoo lang, zeide hij, had hij niets dan meedoogenlooze wezens gezien, nu vond hij er een, dat vrede en liefde teekende. Hij sprak met hem over zijn ongelukkigen toestand, over de wraak des Hemels, die zijne onderdanen door hunne zonden zich op den hals haalden, en voegde er bij, dat de Franschen niet slecht