is toegevoegd aan uw favorieten.

De techniek der ijzer- en staalgieterij

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitsparing verkregen wordt. Men vervaardigt nu drie plankjes, welker doorsneden overeenkomen met drie opeenvolgende doorsneden x, y en z van den schoen en plaatst deze in de trapvormige uitsparing volgens doorsnede OP 2. De tusschenruimten tusschen deze plankjes worden met vormzand aangevuld en het overtollige weggenomen. Daarna kan een kern worden vervaardigd overeenkomstig doorsnede OP 3, waarna met behulp van het strijkplankje A de ruimte aan de bovenzijde ter voltooiing van het model van den schoen ontstaat. Deze ruimte wordt dan met vormzand aangevuld. Is op deze wijze het geheele model van den achtersteven, ten deele in zand, ten deele in hout uitgevoerd, dan worden over het geheel meerdere vormkasten gestulpt en deze volgestampt, — doorsneden OP 4 en CD. Dan worden deze bovenkasten afgelicht, het zandmodel verwijderd en de houtmodellen uitgelicht, waarna de vorm bijgewerkt, met zwartsel bestreken en gedroogd wordt, nadat de gietloopen en opkomers zijn aangebracht; na het plaatsen van de bovenkasten is dan de vorm gereed om met staal volgegoten te worden. Het vormen van een scheepsschroef.

De in fig. 75 voorgestelde scheepsschroef bestaat uit vier bladen, waarvan de beschrijvende lijn een hoek x = 8°3' met den verticaal maakt. Bekend kan worden verondersteld, dat het uiteinde van die beschrijvende een schroeflijn op een cylinder doorloopt, waarvan de straal 1525 mM. bedraagt. De spoed van de schroef bedraagt 2750 mM., zie fig. 76. Uit den ontwikkelden omtrek van den cylinder en den spoed volgt, dat de hoek (3 van den ontwikkelden spoeddriehoek is°iö' bedraagt.

In den bodem van de gieterij wordt nu een cylindrisch gat uitgegraven met een grooteren diameter dan de verlangde schroef verkrijgen zal; in ons geval wordt deze diameter + 3.20 meter gekozen en is dus de straal, die door een eventueelen mal bestreken zal moeten worden + 1600 mM. Men vervaardigt nu een ijzeren ring van 80 x 15 mM, en wel zóó, dat de birmendiameter juist 3206 mM meet. Deze ring stelt dus in principe den omtrek van een cylinder voor, waarop men zich het uiteinde van de beschrijvende van het schroefblad denkt bewogen, terwijl dit uiteinde een schroeflijn zal moeten doorloopen, waarvan de ontwikkelde basishoek /? = i5°io'. Voor ieder schroef blad wordt echter slechts een gedeelte van die schroeflijn gebezigd en wel