is toegevoegd aan uw favorieten.

Burgerluidjes

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RHEUMATISMUS ARTICULORUM ACUTUS.

matige bewegingen van den trein en het vervoer naar villa Bay in een onbeschrijfelijken toestand. Alles klopte en hamerde mij inwendig; het draaide mij voor de oogen, en ik dankte den hemel, toen ik eindelijk in een vrij luchtig vertrek, tusschen eenige zware wollen dekens, te bed lag. Ik geloof, dat ik opnieuw de koorts had.

Het scheen, dat men op mijne komst voorbereid was geweest, want toen het rijtuig voor de deur der villa stilhield, vroeg mijn oom aan een stoeren vent, die het portier opende: „Alles in orde?" hetgeen met: „Jawel, commandant!" werd beantwoord.

De stoere vent, ooms oppasser, nam mij op als een kind, ontkleedde me als een geoefend kamerdienaar en bracht mij te bed. Hij had. zooals men het noemt, „routine" in het vak van ziekenverpleger, want ik gevoelde zeer weinig pijn gedurende zijn behandeling. In de andere kamer naast mij ging oom Bulder ter ruste. Ik hoorde hem vloeken en tieren, met zijn stok slaan en eindelijk roepen: „Hannes, mijn slaapmuts! en ook een voor mijn neef."

„Hoe!" dacht ik, een slaapmuts?" Ik lachte bij het denkbeeld, want ik had er nog nooit een opgehad en keek niet weinig verwonderd, teen ik eenige minuten daarna ooms factotum voor mijn bed zag staan, met een blaadje, waarop twee karafjes en een paar glaasjes stonden.

Hannes tikte even met de rechterhand aan den slaap van zijn hoofd, terwijl hij vroeg: „Slaapmuts, meneer! Cognac of Rum?"

„Dank je, Hannes! dank je, 'k zal niets gebruiken.''

.Rum of cognac?" meneer, herhaalde Hannes, positie aannemend.

Geen van beide."

„De commandant heeft gezegd: „Een slaapmuts!" en u moet haar nemen; 't is eenmaal 't consigne."

Ik overwoog, dat het 't wijste was te gehoorzamen, en zei dus: „Dan maar cognac."

Hannes schonk een glaasje vol, zette het op mijn beddetafeltje, zei: „Morgen om halfacht réveille," maakte rechtsomkeert en vertrok.

Dien nacht droomde ik wonderlijk, waarvan weet ik niet meer, en ontwaakte den volgenden morgen door het geluid van een hoorn: Tatadera-ta, tatadera-ta-ta-ta-taa-aa! Eerst dacht ik, dat het de postwagen was, maar al spoedig bleek het mij de réveille te zijn, want de oppasser kwam kort daarna mijn kamer binnen en vroeg: „Aankleeden, meneer ?"

Na het ontbijt, dat uit een kop thee, haring en een soort van brood, dat mijn oom „kommies" noemde, bestond, zei de kapitein, terwijl hij twee wilde kastanjes op tafel legde:

„Steek die in je rechterbroekzak en deze twee muisjesaardappelen in den linker. Dan heb ik hier het gehoorbeentje van een varken, dat steek je in den vestzak. Dat zijn voorbehoedmiddelen, waar ik me goed bij heb bevonden."

„Maar, oom!" waagde ik in het midden te brengen, „dat is toch puur bijgeloof !"

„Bijgeloof? Wat hier en gunder! Wat wou jij zeggen? Heb jij twaalf jaren rheumatiek gehad? — Jij bent er nog een blanc-bec in. Ik zeg je, dat ze mij helpen." Hij schelde.

111