is toegevoegd aan uw favorieten.

Burgerluidjes

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

Bay helpt hem altijd; hij dweept er mee en daarom heèft hij zijn huis ook „villa Bay" genoemd."

„Dus oom heeft tusschenbeide toch nog aanvallen van pijn?"

„Tusschenbeide, meneer? Bijna alle weken! Ja, dat's komiek van den commandant; bij verbeeldt zichzelven, dat hij heelemaal genezen is, maar 't mocht wel zoo! — Onder ons gezegd, meneer! 'k geloof dat de commandant 's avonds wel wat veel aan de wieg stoot; en hoe goed heete rumgrog ook is...."

De waarheid gebiedt te erkennen, dat ik van dag tot dag beter werd: mijn geheele lichaam gloeide wel is waar als een oven en was als gepolitoerd door de olie van bay, maar allengs kwamen lenigheid, beweging en kracht terug. Ik zei iederen dag aan oom: „'t Gaat beter, veel beter, ik word minder stijf," en even geregeld antwoordde hij daarop met een: „Sakkerju! dat wist ik wel," of een: „Je was al dood geweest, als ik je niet had komen halen."

Wij verdroegen elkander vrij goed; ik luisterde met geduld en aandacht naar de heldenfeiten uit 't jaar '31 en de verhalen over de dokters en de. rheumatiek, die hij mij opdischte. en kwam, dat kon ik merken, bij' hem in een goed blaadje.

De tweeenzeventigjarige man was, afgezien van zijn bulderende manier van spreken, zijne zonderlinge eigenaardigheden en choleriek temperament, volstrekt niet zoo kwaad als hij wel den indruk saaakte.

„Jan," zei hij op een avond vertrouwelijk tot mij „je bevalt me, öroekie! Jij bent mijn eenige bloedeigen neef, en als ik niet anders beschik, krijg jij de pruim, als ik dood ben, — maar dan moest jij voor Hannes zorgen, hoor! Niet dat ik plan heb, om nu al af te marcheeren, om de weerga niet! — Zoolang als ik leef, zal de trompetter mij oppassen, maar als ik er geweest ben, vermaak ik hem aan jou. Blijf goeie vrinden met Hannes, hoor 1 want als ik 't wil, kan ik nog een testament maken, en dan krijgt hij de pruim, versta je!" Een hevige slag met zijn stok zette kracht aan dit laatste gezegde bij.

Ik was nu reeds acht dagen onaer de vleugelen van kapitein Bulder en werd merkbaar beter, maar toch niet zonder een zekere vreemde prikkeling en nu en dan een hevigen jeuk in de opperhuid te gevoelen.

Mijn rechterdijbeen en arm, die 't meest met de olie van Bay waren ingewreven, zagen vuurrood en op enkele plaatsen begonnen zich roode ringen, pukkels en puistjes te vertoonen.

Hannes verzekerde mij plechtig: „'tls alleenig scherpte in 't,bloed, meneer; 'kzal morgen wat Engelsch zout voor je halen."

Oom zei eenvoudig: „'tls een teeken, dat de olie werkt." En ik merkte met schrik aan: „Maar oom, 'tis een hevig jeukende uitslag, die zich met snelheid over mijn geheele lichaam, tot op plaatsen waar ik niet gewreven ben verspreidt."

„Kaarsvet er op!" zei oom.

Het hielp geen zier, 'twerd met ieder uur erger.

„Als we eens zoete olie namen, commandant?" vroeg Hannes.

Ik glom als een spiegel, maar 't baate niet.

8

RHEUMATISMUS ARTICULORUM ACUTUS.