is toegevoegd aan uw favorieten.

Contra naturam?

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92 VONKEN

zijn aandeel aan bet vreemde lot gevorderd; en bovenal: nog nooit had zijn hart zoo gestormd, zoo geleden als nu deze jonge, pas-opbloeiende vrouw in haar schitterende schoonheid voor hem stond.

Terwijl hij in licht gesprek met de zusters aan de theetafel zat, vloog zijn blik telkens weer naar haar heen. Of zij vermoedde wat in hem omging ? Zij was stiller dan gewoonlijk. Of de tegenwoordigheid harer zuster haar onbevangenheid verstoorde ? Trots alle kameraadschap was hij eenige terughouding van haar gewoon. Zoo dikwijls hij haar ook gezien had, altijd was zij hem vriendelijk tegemoet gekomen, maar met die voorname terughouding, die hem zoo goed in haar beviel. En toch — haar uitnoodiging had hem verrast, ofschoon er op zichzelve in zulk verkeer van de academische jeugd niets ongewoons lag. Maar voor hem was het een buitengewone vriendelijkheid, een groote bevoorrechting, een teeken van werkelijke kameraadschap. Het was een beminnelijke, echt vrouwelijke bek in haar, die haar daartoe geleid had; het weten: hij heeft thuis een moeder en zusters, en nu ontbreekt de vrouwenhand in zijn leven; kan ik het hem niet eenigszins vergoeden?

En deze zijde van de roeping der vrouw beviel von Benz buitengemeen. Natuurlijk was zij, in het algemeen genomen, niet zonder bedenking; maar dat is het geval met de meeste dingen. Hij was met zijn vier semesters oud en verstandig genoeg om te begrijpen dat ook studentenafternoon-teas zeer treurige gevolgen kunnen hebben; maar hier was werkelijk een uitzondering. Ten eerste stond mevrouw Korallus in de geheel stad bekend als een zeer consciëntieuze vrouw, die met moederlijke zorg over haar inwoneressen waakte. Ten tweede had hij den indruk, dat Frieda als oudere zuster ook zeer nauwgezet haar plicht vervullen zou. Eén ding stond voor hem vast: indien iedere studente zoo goed beschermd werd, dan zou menig ongeluk niet plaatsgrijpen. Aan den anderen kant hadden velen wellicht die bescherming niet noodig. Niet ieder meisje was een schoonheid als Rose Handier. Velen wezen elk opzicht hoegenaamd kort en goed van de hand. Rose zelf zou zich dat denkelijk niet al te lang laten welgevallen, want zij was flink en geestkrachtig, en wist wat zij wilde.

En toch, toch 1 nietiegenstaande mevrouw Korallus, niettegenstaande de voorzorg der zuster; hij had haar op zijn armen uit de studentenwereld willen wegdragen naar het huis zijner moedert .

Met deze gedachten in het hoofd had zijn oog op haar gerust. Zij echter ondervond onder zijn blik iets, dat ze tevoren nooit gekend had;