is toegevoegd aan uw favorieten.

Marcus Ordeyne

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

Er is ook iets niet in den haak met Judith, die juist van haar verbhjf bij de Wüloughby's is teruggekomen. Ik ben vanavond bij haar geweest en vond haar niet goed gemutst en geneigd tot tegenspreken. Zij zei, dat ik saai was. Ik antwoordde, dat de herfstwereld buiten doorweekt was van landziekigen regen. Hoe zou de mensch dan monter zijn!

„In deze kamer," zei Judith, „waar het vuur helder brandt en de gordijnen dicht zijn, is er geen landziekige regen en geen herfst behalve in ons hart."

„Waarom in ons hart?" vroeg ik.

„Wat dwing je iemand toch om de dingen van a tot z te zeggen," zei Judith. „Ik wou dat ik Roomsch was." „Waarom?"

„Dan ging ik in een klooster."

„Je deed veel beter, naar Delphine Carrère te gaan," zei ik. „Ik ben pas een dag thuis, en nu wil je me al kwijt zijn," riep zij met een vrouws snelle logica van omedelijkheid.

„Di wil alleen, dat je tevreden en vroohjk zal zijn, beste Judith." „H'm," zei ze.

Haar slof, die als gewoonlijk op de punt van haar voet hing, viel op den grond. Ik verklaar, dat ik, vervuld van andere gedachten, er mij slechts half van bewust was.

„Je raapt met eens mijn slof op," zei ze.

„Duizend maal vergiffenis," riep ik uit, mij snel bukkende. Maar zij was mij al voor geweest. Wij bleven in het vuur staren en zeiden niets. Aangezien zij beweerde moe te zijn, ging ik vroeg weg.

Aan de straatdeur merkte ik, dat ik mijn paraplu had vergeten. Ik vloog de trappen op en belde bij Judith aan. Na een poos zag ik door het glas van de dem haar naderen, maar voor zij open deed, draaide zij het gas in de gang uit.

„Marcus!" riep ze eenigszins opgewonden uit, en in de schemering leek het of er sporen van tranen in haar oogen waren. „Kom je terug?"

„Ja," zei ik, „om mijn paraplu."

Ze keek me een oogenblik aan, lachte toen, draaide zich snel om, nam mijn paraplu, gaf ze mij in de hand, duwde mij terug en sloot de dem voor mijn neus. Li verbazing ging ik de trap af. Wat scheelt er aan Judith ? Ze zei vanavond, dat alle mannen wreed zijn. Ik ben een man. Ik ben dus wreed. Een volmaakt syllogisme. Maar hoe ben ik wreed geweest?

Ik wandelde naar huis. Er is voor een neerslachtig mensch