is toegevoegd aan uw favorieten.

Marcus Ordeyne

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

niets zoo troostrijk als de onverzwakte ellende van een wandeling in een Londenschen regen. Er is geen kunstmatige vroolijkheid, die u bespot. Het gemoed is in harmonie met het doorweekte heelal. Het is goed, dat er aan alles in de wereld tijdelijk iets scheelt.

Ik heb mijn natte pak uitgetrokken en mij gestoken in huisjas en sloffen. Op mijn schrijftafel ligt een brief, waarvan het adres geschreven is met een ronde kinderhand. Hij is van Carlotta, die al veertien dagen in Comwall bij de McMurrays logeert. Ik heb wéinig veertien dagen gekend, die zoo lang waren. Op een belachelijke schooljongensmanier heb ik de dagen tot haar terugkomst afgeteld. Zij komt overmorgen.

„De brief vangt aan: „Sir Marcus lief." Dat omdraaien is een bedenksel van haar. „Mevrouw McMurray vraagt, kan u mij nog een week missen? Ze wil me manieren leeren. Ze zegt, ik heb den bovenpriester hier woedend gemaakt — o, het is waar ook, u noemt hem vicar — nu herinner ik het mij. Ik was zonder hoed uit wandelen gegaan met een jongen • knappen priester, en toen ging het regenen, en toen heb ik zijn hoed opgezet, en toen kwamen we den vicar tegen. Maar ik flirtte niet met den jongen priester. Heusch niet! Ik zei tegen hem, dat hij me met het hof moest maken net als de jongen van den kruidenier. En ik zei, als hij verzen op me maakte, dat u hem zou slaan. Ik ben dus erg braaf geweest. En allerliefste Sir Marcus, ik verlang heel erg om terug te komen, maar mevrouw McMurray zegt, ik moet nog wat blijven, en ze krijgt een baby en ik ben erg in mijn schik en goed, en meneer McMurray zegt grappige dingen en maakt me aan het lachen. Maar ik hou van nujn lieven Sir Marcus het meest. Geef Antoinette en Polyphemus (de eenoogige kat) twee dikke zoenen van me. En hier is er eeri voor Sir Marcus van zijn — Carlotta."

Hoe kan ik het weigeren? Maar ik wou, dat ze hier was.

31 October.

Ik heb vannacht niet kunnen slapen. Ik heb vandaag niets uitgevoerd. De Renaissance is afgedeinsd tot een ijsperiode, waarin ik, voor zoover het de menschen betreft, niet het geringste belang stel. Ik zocht mijn heil in de sociëteit. Waarom moet echter een oude, bezadigde Universiteitssocieteit zoo'n woelige vluchthaven zijn? Ponting, een eigenwijs lector van Oxford, zette zich aan mijn lunchtafel en begon over economie en golf uit te pakken.