is toegevoegd aan uw favorieten.

Aangename uren : leesboek voor gymnasia, hoogere burgerscholen, kweek- en normaalscholen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

81

door het takelwerk en over de vuil groen gekleurde golven, die steeds woester, steeds sneller komen aanrollen.

En nog altijd vloog aan den horizon de zonderlinge schoener over de wild gewordene zee, men zag hem reeds duidelijker, wij schenen afstand op hem te winnen. Een akelig schemerlicht brak nog slechts door de zware, grijs , in grauw geschaduwde wolken, terwijl zij als om strijd voortjoegen met de schuimende baren, die zich rusteloos, in eeuwig jonge kracht, over de eindelooze vlakte voortwentelden. Steeds hooger werden de golven die ons met hunne, aan beide boorden voorbijstuivende schuimkoppen schenen te vervolgen, en na elke voorbijrazende zee, zag men nieuwe en grootere achter zich verrijzen, doorzichtig groene bergen van water, die ons met snelle vaart dreigden achterop te loopen, alsof zij ons wilden verzwelgen. Maar wij ontsnapten hun telkens weder, zoodat ze ons slechts ophieven, men voelde ze onder de kiel doorgaan, terwijl de hooge, ter rechter en ter linker zijde van het schip neerdónderende schuimkronen, de zee over eene groote uitgestrektheid in eene kokende melkvlakte veranderden.;

Doch niettegenstaande de snelheid, waarmede wij het water doorkliefden, begonnen de golven ons allengs in te halen, eerst enkele rollers, die tegen het achterschip braken, daarna grootere massa's die met donderend geweld over de verschansing sloegen. Sneller en dreigender kwamen de reusachtige waterbergen achter ons opzetten; het werden allengs ontzaglijke gevaarten, geelgroen doorschijnende bergketenen met beangstigend diepe valleien tusschen zich. En al deze beweging, al dit woelen, schuimen en rollen, nam gestadig in wildheid en woestheid toe, onder een steeds somberder hemel en een steeds ontzettender geraas.

Het loeiende huilen van den storm door het kale takelwerk, het gierend fluiten door de kluis- en spuigaten, de donderende slagen van het onweer en het dof brullend ruischen der baren smolt tot een onbeschrijfelijk rumoer samen, tot een oorverdoovend bulderen, waarin geen enkel bekend geluid meer te onderscheiden was; het waren millioenen stemmen en tonen, het was eene blinde razernij van ontketende natuurkrachten, alsof de Oproerige elementen zich onderling wilden verdelgen.

En nog immer ijlde de schoener in dolle vaart voor ons uit, en konden wij zijne heen en weer slingerende gedaante ontdekken, zoodra de horizon voor eenige seconden tusschen de hooge water-

6