Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN STRAATFIGUUR UIT TANGER.

Maar vlak voor het straatje naar Sivory's kroeg was Johan (een schilder) als met een schok een andermaal blijven staan. Hij keek in de gapende steeg, die naar boven zich voortschoof. Tusschen de opstijging der huizen verdonkerde de geul naar achteren in 't blauw van haar eigen schaduw; maar in de diepte was weer een blok zon, een vierkant stuk licht. Ook voor den ingang viel de zon, doch dadelijk onderschept door het huisblok van den steeghoek, waar Johan stond; een zware maar al te korte vlaag schaduw lag neergesmeten over het steenen pad vol gleuven en vuilnis, met een grooten, scheeven rechthoek steeg het donker daar tegen het bezonde muurstuk op. Daar, met zijn voeten in den rouw der schaduw, maar met hoofd en bovenlijf tegen den ouden wand in het bloeiende en blozende licht, beeldde als een statue, een jonge man en die verschijning had hem zoo hevig in de oogen getroffen.

De jonge Arabier stond op zijn eenen voet, met krommende teenen in het dikke slijk der schuine straat, want den anderen had hij als voor de vloerkou opgetrokken en met de zool tegen den muur geplant. Zooals een hagedis, die de zonnige en warme plekken zoekt op zijn gescheurden muur, zoo was hij zich daar aan het koesteren op zijn warm plaatsje, buiten het gedrang, wars van het gevoel.

Hij was bijna ongekleed. Een groote vod te kort om hem van onder tot bóven te dekken, een vervaalden lap gelijk een oude Moskovische rietmat, van het bruin als dood loof, hield hij om zich vast, met zijn hand bij elkaar, om het afglijden te beletten. Hij stond daar stil voor zich uit te droomen, in een vertooning van zijn jong en onversleten spiernaakt, den kop

Sluiten