is toegevoegd aan uw favorieten.

Taalboek voor de drie laagste klassen van H.B.S. en gymnasium

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109

§ 27. Het rijm wordt verder onderscheiden in staandof manlijk rijm, waarbij de laatste lettergreep den klemtoon heeft, en slepend of vrouwelijk rijm, waarbij de laatste lettergr. zwak betoond is.

Meestal wisselen staande en slepende rijmen elkaar in een gedicht af; bijv.:

Levenslust is 't ware leven, Is het liefelijkste goed, Dat de lachende aard kan geven Yan haar weelde en overvloed.

(De Génestet)

§ 28. Komen na de betoonde rijmende lettergreep nog twee zwakbetoonde, dan spreekt men wel van glijdend rijm: bijv. ademen, vademen.

§ 29. Zoogenaamd gelijk rijm of rime riche, waarbij ook de beginmedeklinkers gelijk zijn, komt tegenwoordig zelden meer voor:

„Och neen, gij dochter, neen gij niet! „Die derwaert gaen en keeren niet."

(Halewijn)

Dan gaat de jeugd met spade en ploeg

Naar 'tbreede, vlakke strand, En ploegt dan, vol van vroolijkheid,

Het dorre, natte strand. (Bellamy) § 30. Rijmlooee verzen noemt men wel blanks verzen. Onder de dichters van dezen tijd hebben o. a. Emants, Yan Eeden, Verwey en Koster blanke verzen gemaakt, bijv.:

En als zij moe van 'tvele staren was, Dan dwaalde zij de bonte bosschen door, Op 'thooge haar der bloemen vonkelkrans,