is toegevoegd aan uw favorieten.

Taalboek voor de drie laagste klassen van H.B.S. en gymnasium

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

Zoet zingend, met een ondertoon van smart, Zoo klagend, lieflijk, dat het schelle koor Van Toog'len wonderstom geslagen werd En alle zwegen, luist'rend naar haar lied.

(Niobe door Edw. B. Koster)

§ 31. De klankschoonheid van een vers kan nog aanmerkelijk worden vergroot, indien het zóó wordt voorgedragen , dat ook de zinsmelodie haar deel krijgt, en tevens door mimiek, gebaren en houding de aanschouwelijkheid wordt verhoogd.

§ 32. De schoonheid van een gedicht wordt behalve door rhythme, rijm en melodie nog bepaald door de beeldende kracht van de taal of de plastiek. Vooral de woordkunst der „tachtigers" bevat in proza en poëzie schitterende proeven van plastisch talent. De z.g. N. Gidsbeweging richtte zieh trouwens voor een groot deel tegen de rhetoriek der andere dichters.

§ 33. Onder rhetoriek (eig. welsprekendheid) verstaat men tegenwoordig het gebruiken van valsche beeldspraak, het bezigen van geijkte, zg. „dichterlijke" taal, het voorwenden van een diepe ontroering, hevige smart, gloeiende verontwaardiging, kortom: onechtheid in gevoel en beeldspraak.

§ 34. Goede beeldspraak ontstaat uit de behoefte om door vergelijking met iets bekends te verduidelijken, wat men zeggen wil. Goede, zg. „rake" beeldspraak is altijd spontaan.

§ 35. Alle beeldspraak berust op vergelijking. Zet men het beeld onmiddellijk in de plaats van het oorspronkelijk gedachte, dan ontstaat de metaphora (overdracht); wordt de beeldspraak verder uitgewerkt, dan spreekt men van allegorie (= anders zegging).