is toegevoegd aan uw favorieten.

Taalboek voor de drie laagste klassen van H.B.S. en gymnasium

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111

§ 36. De meeste gedichten zijn strofiack^, d. w. z. zij zgn verdeeld in groepen van twee, drie of meer regels, die min of meer een op zichzelf staand geheel vormen, vooral wat rhythme en rijm betreft.

§ 37. Sommige strofen hebben bijzondere namen; een tweeregelig couplet heet distichon (oorspr. gold deze naam alleen voor een strofe bestaande uit een hexameter en een pentameter, zie § 20):

Heer Halewijn zong een liedekijn, Al wie dat hoorde wou bij hem zgn.

En dat vernam een koningskind, Die was zoo schoon en zoo bemind.

Drieregelige strofen in vijfvoetige jambische verzen met het rijmschema (aha, cac, dcd, of aha, bcb, cdc) heeten terzinen:

Een handdruk brengt aan d'uitgang van hun cellen Een handdruk brengt hen zaam voor 't hoogaltaar Als nog de nacht heerscht in de zijkapellen;

En eer de scheemring voor den morgen vliedt, En deez' de zee al trillende doet zwellen, Hoort de oever hen weêr spreken van zijn lied.

(Potgieter)

Vierregelige coupletten, in 't bijzonder de beide eerste van een sonnet, heeten kwatrijnen (zie § 38.)

1) Een strofe van een lied noemt men meestal couplet. Bij psalmen en gezangen spreekt men van vers. Zie noot § 20.