is toegevoegd aan uw favorieten.

Limburgsche verhalen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZUSTERS

"5

Met den wind zwol de vloed aan, breeduit klotsend en ruischend over de dalvelden om hier, hier in den kolk van haar poortgang, tot één stortzee neer te druischen.

Weg met de koeien! Ze vond immers het horenblok en de kettingen wel in den blinde. „Hot Lies. Hot Bel. Brave beesten. Och arm nog, zoo gerust in het hooi!"

Tastend had ze de kettingen gegrepen en gekoppeld, en ze trok, trok.... Wat gaf 't, of ze ook bijna struikelde over de omgekantelde lantaarn en het glas scherfde onder haar voeten? Neen, in geen geval de keuken in met de beesten, die lag nog lager dan de stal. Wat zij deed, deed ze ineens goed! Geen half werk ! Den weg af moest ze, naar den eersten stal aan dezen kant van den Kerkhoek. Die lag hoog genoeg op z'n terp. Daar zou Gradus Gilissen de beesten bij de zijne zetten, warm en veilig.

„Maar eerst moet hier de poort wijd open," bezon ze, „dat het water 'n vrijen doorloop vindt en niet tegen 'n sluis zal opstuwen." Zeker, ze had verstand en doorzicht, zij! Ze durfde. Ze kón. Zonder iemands raad of hulp.

Kalm bij haar doortasten, haakte ze de gedweeë, slaaploome beesten met den kopketting aan de huisdeur-kruk. De wind drukte haar vlak tegen de poort aan, terwijl ze den dwarsboom uit z'n gleuf lichtte. Dan wipte ze door het spronkdeurtje