is toegevoegd aan uw favorieten.

Een schaking in de zeventiende eeuw

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENTIENDE EEUW

III

en in diens kamer geherbergd was. Vollenhove, Spinel en Feyt waren reeds te voren verdwenen, zonder zelfs aan hun meester eenige kennis van hun voornemen te geven. Wat Gonser en Goldestede betrof, die, als wij vroeger gezien hebben, aan 't veerhuis waren verbleven, alleen de laatstgenoemde viel den Schout in handen, en verhaalde, dat Vollenhove en Gonser den vorigen dag met de rijpaarden weggereden en niet teruggekomen waren.

Ontevreden over de handelwijze van den Graaf, en uitdienhoofde geene beleefdheid van hem willende genieten, sloeg de Fiskaal het hem gedane aanbod af om op 't slot zijn intrek te nemen of althans te blijven eten, en begaf zich naar den „Gouden Leeuw," waar zich eerlang Rixen bij hem vervoegde.

„Wel!" vroeg deze, zoodra hij binnenkwam: „zijn de daders gevat?"

„Spreek er mij niet van," antwoordde Van Stryen: „het schijnt, dat dit stadje, waar een kikvorsch desnoods overheen zou springen, nochtans groot genoeg is om den roover en zijn medeplichtigen te verbergen: want die ezel van een Schout weef hen niet te vinden, ofschoon hij mij de verzekering geeft, dat zij Kuilenburg niet verlaten hebben en alzoo nog hier of daar moeten schuilen."

„Des te beter!" zeide Rixen met een zucht.

„Hoe des te beter?" zeide de Fiskaal, verwonderd opziende: „zoudt gij dan verlangen, dat die schelmen hun straf ontgingen?"

„Wat zal ik u zeggen?" hernam de Raadsheer: „ik kom van mijn nicht, en nu de zaak er eenmaal toe ligt, zou het voor hare eer en die van haar familie wellicht best wezen, dat die Mortaigne door een huwelijk vergoedde, wat hij misdreven heeft."

„Wat?" zeide Van Stryen: „gij zoudt, als voogd, kunnen toestaan, dat die verloopen avonturier nog voor zijn schendig feit, in plaats van straf, belooning