is toegevoegd aan je favorieten.

Het schoone jaar van Carolus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ERFENIS

Midden in de vespers dien achternoen deed Carolus zijn psalmboek toe en hield op met zingen.

Hij liet een poos zijn oogen gaan over de zingende koppen der andere seminaristen die aan weerskanten van het koor in de gebeeldhouwde banken zaten, zuchtte en keek mistroostig de kerk in.

„Waarom nog zingen?" zei hij bitter. „Met mij gaat het toch niet meer."

Buiten vulde een schoongewasschen voorjaarszon den stillen namiddag. Ze gloeide door de glasramen van de zijbeuk en doorstreepte de kathedraal in zijn volle lengte met dikke kleurige lichtbalken. De vergulde autaars en geornementeerde biechtstoelen in de zijkappellen, de dikke pilaren en de hooge preekstoel in de middenbeuk, 't zat er alles in verdoezeld tot onduidelijke wazige dingen. Zuilen en bogen rezen er wasgeel boven uit m'aar in 't verschiet van de kerk smolten ze mollegrauw in elkaar rond den brand van het blauw-en-rood gevlamde roosvenster boven het orgel.

„Als de zon zijn hart maar vijf minuten opendoet, smilt de kerk toch ook in zijn licht," besloot Carolus troosteloos.

Hij liet het hoofd zakken en overpeinsde voor den zooveelsten keer zijn geestelijke miseries.