is toegevoegd aan uw favorieten.

Het schoone jaar van Carolus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

INTERMEZZO

dat spelen en eten en dansen, dat houdt den beste niet uit."

De meiskes alle drie, hielpen hem den rugzak aangespen waar den hals van zijn viool uitstak. Ze bonden rozen op zijn hoed en ook aan zijn reisstok, lachten binstdien korte lachjes, en als 't gedaan was liepen ze ineens met den voorschoot voor 't gezicht weenend de keuken in.

Een adieu, een stevige hand en hij stapte de verlaten, schemerige straten door, naar de Leuvensche Poort die ginder, boven de lage daken, grauw en log optorende tegen den eersten blos van den hemel.

Hij stapte altijd maar recht door, zonder omzien, met den kop naar den grond.

Maar vóór hij de mastebosschen in moest, werd 't hem te sterk en moest hij zich toch ééns omkeeren.

Achter 't verschiet der groene beemden kleurde de kleine stad.

De daken en de gevelen blonken rood en wit tusschen de boomen op de vesten. Klokjes luidden fijn uit de slanke klooster-torentjes en duivenvluchten toerden hoog in de lucht boven den gelen Sint-Gommarustoren...

Er vielen ineens steenen op zijn hart, molensteenen. Zijn kniëen knikten ervan en hij dacht te breken.

Hij nam zijn hoed af en met een natte stem, verdronken in snikken en tranen zong hij zijn afscheid.