is toegevoegd aan uw favorieten.

De ruige hoeve

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

go

was geweest, dan had hij zich altijd gruwelijk verveeld. Geen woordje was er, dat tot hem doordrong: 't leek allemaal hol gepraat, daar zijn gemoed buiten bleef.

Toch had hij veel gelezen in den grooten Statenbijbel, die in de voorkamer op een apart tafeltje lei. Al als kind wist hij, wat elk plaatje beteekende, en alles uit eigen onderzoek, want ook de cathechisatie had hij nooit bijgewoond.

En later had vooral het Nieuwe Testament hem zeer aangetrokken. Er gingen weinige Zondagen voorbij, dat hij er niet in las, soms tot groot vermaak van zijn broers, die hem voor „den vromen ouderling" uitscholden.

„Maar al ga ik niet naar de kerk, daarom kan ik toch wel aan Godgelooven " verdedigde hij zich.

Dat kon er in haar Roomsche rechtzinnigheid niet in*: als je aan een God geloofde, dan ging je toch naar de kerk!

Daar ging haar ineens een licht op.

„Zeg Kors," vlijde ze zich weer tegen hem, ,,'k begrijp je niet goed. Je gelooft wel in God en niet in de kerk ?"

Kors glimlachte : „O, mijn heiden-aposteltje, welke kerk bedoel je ?"

Ja, daar wist ze niets op te zeggen. Maar ze vervolgde haar onderzoek : „Welke kerk wil jou God dan ?"

„Mijn God vindt alle kerken best, als de menschen, die er heengaan, het maar eerlijk meenen. En hij woont hoog boven de kerken."

Hij verbaasde zichzelf over deze formule, daar hij nooit zijn gevoelens zoo omlijnd had.

„Dus jou God is niet vijandig tegen de Roomschen ?"

„Vooral niet, als ze zoo lief zijn en zoo oprecht als jij." Hij nam haar weer in de armen, maar ze weerde hem af met een ernstig gezicht.

„Waarom word je dan niet Roomsen.? Dan zullen vader en moeder geen bezwaren meer hebben."