is toegevoegd aan uw favorieten.

De Oost-Indische compagnie als zeemogendheid in Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1644 AMBON, DE MOLUKKEN, MAKASAR EN BOETON. ENZ. 645

gestrekte handelsgebied der Compagnie daaraan niet of weinig gedaan werd. Maar men had hier ook niet veel anders te doen, want behalve het inzamelen en verzenden van nagelen (en noten op Banda), was er geen handel van beteekenis. De eilanden kostten veel geld, maar men kon nu althans zeggen, dat daarvoor beschaving van het volk verkregen werd. Van Maart 1643—1644 overtroffen de lasten van Ambon de winsten met / 59.812; die van Banda, waar zonder veel nut nog een personeel en garnizoen van 400 man was, leverde een nadeel van / 33.363 op.

De gouverneur Demmer toonde veel ijver door persoonlijk onderzoek in het woeste land van Hitoe ;hrj vond op verschillende plaatsen nog geschut en het zooveel mogelijk alle kampongs, zoowel daar als op West Séran naar het strand verplaatsen. Kapaha met Toeloekabesi bleef nog een moeilijk vraagstuk. Men achtte het onmogelijk dit arendsnest, rondom met randjoes bezet, te beklimmen en dacht het door insluiting te kunnen uithongeren.

Demmer het in Mei aan het strand een houten schansje maken en op een heuveltje een batterij, te samen met 75 man bezet, en bewapend met 8 &ers en 12 »ers, waarmee Kapaha nu en dan, zonder uitwerking beschoten werd. De aan of bij het strand gevonden vaartuigen werden vernield. In een baaitje vóór Kapaha werd de Rommerswael gelegd; de grond was daar zóó steil, dat dit schip, met zijn anker in 70 vaam, op een steenworp van den wal lag. Voor andere plekken, waar prauwtjes zouden kunnen uitkomen, om te visschen, werden de Cleijn Enckhwijsen, Westhoven en sloep den Bosch gelegd en, daar achter Kapaha een steile berg was, meende men, dat het nu geheel ingesloten was.

Den 7n Mei het Demmer alle hoofden plechtig zweren, dat zij Toeloekabesi geen hulp zouden verleenen. Hierbij bleek, hoe men zich ondanks gewapende macht, en vervolging, in het betrekkelijk kleine Hitoe kon schuilhouden: een zekere orang-kaja Baros, een oud man, die er bij tegenwoordig was, had Demmer nog nooit ontmoet, ofschoon hij met zijn geheele huishouden altijd in het bosch gewoond had; hij was een oom van Kakiah.

Zij die dachten, dat Kapaha ontoegankelijk was, vergisten zich. Over een smalle rug kon men er uit Liang in komen. Toeloekabesi, begrijpende dat Demmer dit wel spoedig weten zou, verbet met Imam Radjali en 80 man zijn sterkte en maakte zich van Liang meester, dat ook zeer moeielijk te bereiken was.