is toegevoegd aan je favorieten.

De Oost-Indische compagnie als zeemogendheid in Azië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

818 DE GOUVERNEUR-GENERAAL ANTONIO VAN DIEMEN. 1642

Elseracq te bewegen, den brief van de Regeering niet te laten bezorgen, en Van Elseracq stemde er in toe, hem op te houden, omdat de gouverneur en een paar anderen den handel niet bemoeilijkten. Te Jedo werd hij beleefd, maar met terughoudendheid en kleine onaangenaamheden behandeld, van de geschenken werden sommigen aangenomen, anderen geweigerd.

Toen Elseracq naar de reden van die bevreemdende houding vroeg, werd hem ronduit gezegd, dat het was, omdat de Hollanders ook christenen waren. De Roomsche Portugeezen hadden den indruk gevestigd, dat bij christenen alle diensten en teekenen van genegenheid, „uijt een geveijnsde geest voortcomen". Van Elseracq ontving van den keizer als gebruikebjk tegengeschenk 200 schuitjes zilver en 20 Japansche rokken, maar overigens mooie praatjes en geen verbeteringen voor den handel.

In het jaar 1642 voerde de Compagnie slechts voor/664.249waarde in Japan in. Maar de keizer stond toen weer toe, dat krijgsbeden en koopbeden zijde droegen, waardoor zich een verbetering in den handel het voorspeUen. De strafoefening aan de Portugeezen had nog niet al hun landgenooten afgeschrikt. Wederom werden, op den 11n Augustus, door een wacht van Satsoema, op een eiland, in gezelschap van Japanners eenige Jezuïeten met hun bedienden aangetroffen, gevangen genomen en naar Nagasaki gebracht. Uit hun verhoor bij den gouverneur bleek, dat zij slechts uit dweepzucht en om anderen tot hun geloof over te halen zich op Japansch gebied gewaagd hadden. Zij werden bij elkander opgesloten en dagelijks gepijnigd. Dit ging zoo voort tot den 17» Maart 1643, toen zij met de beenen aan een galg opgehangen werden waar zij nog 3, 4 en 5 dagen bleven leven; hun lijken werden aan stukken gehakt en verbrand, en de asch in zee geworpen. Later werden nog 4 Jesuïeten met gevolg, die van Manila kwamen, in zee ontdekt en naar Jedo gebracht, om daar geëxecuteerd te worden. Dit geschiedde echter niet, daar zij veinsden hun geloof te verlaten. Zij veroorzaakten de Compagnie opnieuw onaangenaamheden, door te verteUen, dat in HoUand Roomsche geestelijken zich óp de schepen als matroos heten aanmonsteren om zóó in Japan te geraken. Een verscherpt toezicht was hiervan het gevolg.

De afkeer van de Japanners tegen hen, die zich Christenen noemden, strekte zich uit tot hun doode hchamen. De Compagnie