is toegevoegd aan uw favorieten.

Stormgetij

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

BIBLIOTHEEK VAN „WOORD ENX BEELD"

„Vergeef me, seinjeur Loos," zeide hij op eenmaal, „dat ik een oogenblik... Ik verneem daar van seigneur Wallestin iets dat mij interesseert...""

Loos boog zich over zrjn wijnbeker, en zag dat die leeg was, opzettelijk genoeg om Elizabeth te doen begrijpen, dat de oude man niet ongaarne ja zou zeggen op haar vraag: of hij nog een scheutken beliefde?

Het gesprek stokte daardoor even en dit gaf Antonius gelegenheid zich tot den koopmanszoon te richten.

„Heb ik goed gehoord, dat Meester Wallestin een knecht gebruiken kan?" vroeg hij. „Zeidet ge niet dat Hans..."

„Hans de Groote... ja.. ." zei Willem. „De arme kerel is gisterenmorgen bij 't afladen van een schuit in de Sack terechtgekomen 'en1 men heeft er hem meer dood dan levend uitgehaald; ieder betwijfelt of hij het houden zal, want sterk is hij niet. .. Maar of wij aanstonds een ander zullen nemen ... dat weet ik niet... Vader is daar niet erg vóór. Hans deed zooveel niet meer, maar hij is zoo oud als vader, en zeer aan ons gehecht... Tijdelijk een ander, dat kon misschien ..."

„Ja ja," zei haastig Antonius, „zoo verstond ik het ook. Ik heb kennis aan een armen drommel, die mij om voorspraak heeft verzocht ... Een paar dagen geleden heeft Loy Pruystinck hem uit zijn dienst ontslagen ..."

„De Schaliedekker uit de Rijke Beukelaarstraat?" vroeg Lieven.

„Dezelfde," zeide Antonius.

„Die weet wel wat hij doet. .. pas maar op met dien armen drommel!" waarschuwde Lieven lachend. „Wie weet heeft hij te lange vingers, of kan hij geen vollen beker zien staan... Op 't punt van werken verstaat Loy geen scherts ..."

„Niets van dat alles," zeide Antonius waardig. „Mijn yriend is een arme Spanjool, die op eerlijke wijs aan den kost komt, maar..."

„Een Spanjool, aha!" zei Jakob. „En dan eerlijk... komaan..,.!"

„Nu, waarom niet?" vroeg Antonius.

„Ik verzeker je... hij is het.. . was hij het niet, Loy zou hem nog in zijn dienst hebben. Maar 't is dat hij niet huichelen kan en veinzen, hij kan niet lachen als de meester de Heiligen bespot en de priesters lastert..."