Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVI.

„Gods vrede zij met U!"

„En met uwen geest, broeder!" antwoordde de waard üit den Horen op de Veemarkt, maar de blik, waarmee hij den naar het uiterlijk berooiden monnik die zijn taveerne binnentrad aanzag, was minder vriendelijk dan zijn woord. Zulk bedelvolk zag men liever gaan dan komen; de natiegasten *), trouwe bezoekers van zijn huis, mochten dan al wat luidruchtiger, en minder vroom in den mond zijn dan dit soort van lieden in de pij en met de tonsuur, .— zé brachten tenminste hun krabbelaars in den zak mêe, terwijl de vrome broerkens „om Godswil" aten en dronken.

Déze zag er in 't geheel niet florissant uit. Zijn ordekleed was van een nauwelijks herkenbaar bruin, zijn baard hing lang en ongekamd over de borst, en de schoenen aan zijn voeten vertoonden zoovele gaten dat de waard zich afvroeg, waarom de monnik niet liever barrevoets ging.

„Op weg naar Rome bij geval?" vroeg hij, nieuwsgierig wat zijn gast, die zich rustig op een bank aan den wand had neergezet, bewogen mocht hebben zijn taveerne, die zelden eerwaardig bezoek ontving, tot pleisterplaats te kiezen.

„Zoover niet, heer waard", antwoordde de ander. „Mijn voeten zouden 't begeven, ofschoon ik de Heilige stad wel zeer zou begeeren te zien. Maar op 't oogenblik zoudt gij mij dienen met wat eetbaars, en als gij daarbij wat te drinken hebt.... ik heb dagen lang geloopen en niet steeds zulke goede taveernen aan dèn weg getroffen als hier."

„Hier, komen gemeenlijk geen broerkens", zeide de waard, ietwat wantrouwend bij een lofspraak als waaraan hij niet gewend was.

*) De arbeiders van schepen en kaden.

Sluiten