is toegevoegd aan je favorieten.

Het drama en het tooneel in hun ontwikkeling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

298

VI DE MIDDELEEUWEN

En Adam, in een nieuw lyrisch couplet, bekent nu zijn schuld. Maar moet daarom heel zijn nageslacht verdoemd worden i Dat gaat immers buiten de rechtvaardigheid. Neen, eischt Nijd, de zonde jegens Gods 'mogendheid is veel te groot om door hem, die ze bedreef, alléén geboet te worden, 't Nageslacht moet er mee van dragen. En God stelt, vasthoudend echter den toon van vaderlijk vermaan, Nijd in het gelijk: O mensche, wat hoor ik van di, o wachl Rechts zoo zal ik mi moeten bewinden. *) Want nadat redene en recht vermag En kond' di'er geen onschout2) tegen vinden. Ik dede U lieden als miinre verminden *) Ende koos U te minre gloriën bekwame, Maar gi hebt U laten verblinden.

En als hij dan den mensch, bij zijn dood, ter helle verwezen heeft, eeren hem Lucifer en Nijd met triomfstooten:

lucifer: Lof, rechter, van uwen rechte verkoren, Wi danken ons uwer weerdigheen.

nijd: Gij hebt verminderd onzen toorn,

Lof, rechter, van uwen rechte verkoren! En na deze plechtstatige uitingen van de duivels

laat de dichter hen dadelijk in hun eigen maat en

toon uitjubelen:

lucifer: Schooien wi, duvel, zonder beien Tot in den grooten kakebol 4) Gaan wi de plaatse lingen en breien:') Het komt er nu'al, des ben ik vro!

En er worden groote toebereidselen en veel lawaai in de hel gemaakt, van vreugde om al de te verwachten menschenrielen.

Dan volgt de dood van den eersten mensch, Adam, dewijl rijn zoon Seth, ten Paradijze getogen om daar bij den Engel, die den hof van Eden bewaakt, te vragen wat Adam van den dood

1) Naar recht zal Ik mij er mee moeten bemoeien 7 2) Verontschuldiging. 3) geliefden. 4) helleketel. 5) gaan we die in de lengte en breedte vergrooten.