is toegevoegd aan je favorieten.

Het drama en het tooneel in hun ontwikkeling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. DB MISTERIESPELEN

299

en de hel mag redden, niet tijdig weer kan keeren. Wat de Engel hem meegeeft is het bekende symbool van den Verlosser: een takje van den boom. Het sterven van Adam en het afscheid van zijn zonen is wederom niet zonder pathetiek: deze rederijker heeft gevoelstonen in zijn lier en het uitzingen der klaagstrophen van Adams kinderen, geknield bij zijn lijk, zal niet hebben nagelaten de toehoorders te ontroeren. Als tegenstelling dan weer een tooneeltje van duivelenvreugd om het gekerm der zielen in de hel, waarin „groot geruchte" gemaakt wordt, en waarna ons weer een lyrisch tusschenspel wordt aangekondigd: Dit's 't klagen ende 't kermen in de helle van de(n) vaders: Adam, Eve, David, Job, Jesaia, terwijl de laatste hen troost met zijn profetie der genakende verlossing.

En hierna ontwikkelt zich een breed uitgesponnen tooneel van allegorisch-theologischen aard, waarin we de kern vinden van het zich welhaast ontwikkelende zinnespél, en tevens een geestelijke verdieping van het gegeven, die toont hoe de menschen van het tijdperk vervuld waren van geestelijke vraagstukken en er van de planken voorlichting over zochten. De dichter voert eerst twee allegorische figuren op: Bitter Ellende (op krukken, ermelijk gekleed) en Innig Gebed, waarbij zich nog Ellendigheid voegt, om zich te vereenigen in hun meelijden met de in de hel geworpen zielen. Innig Gebed zal zich tot haar vriendin wenden, welke rij in Godsnabijheid heeft: Ontfermigheid. Met haar egge zal zij een gat boren in den hemel, om daar met Ontferming te gaan spreken, en aldus zien wij haar op het tooneel doen, met een algeheele omzetting van het onzienlijke in het zichtbare symbool, dat het kenmerk wórdt der Zinnespélen.