is toegevoegd aan uw favorieten.

Kapitaal en volksinkomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

juister, daar er in vele gevallen ongetwijfeld eenige persoonlijke verdienste was, daar ten minste een deel van het nieuw-gevormde kapitaal ontstond door besparing uit arbeiders-loon en ondernemersloon: is er eenige redelijke verhouding tusschen de hoegrootheid dezer verdiensten en het aandeel in de opbrengst der productie, dat den kapitaalbezitters als zoodanig toevalt?

En welke zijn, wanneer het kapitaal eenmaal gevormd is, de verdiensten van zijn bezitters ten opzichte van het productie-proces? Een van deze verdiensten wordt door Pierson als volgt geschetst:

„Het is, dat de zorg der kapitalisten voor het behoud van hun ver-' mogen in hooge mate bevorderlijk is te achten aan een zoodanige beperking van het improductief gebruik, als het belet de grenzen der voortbrenging ook zelfs voor korten tijd te overschrijden; of wel aan een zoodanige uitbreiding der voortbrenging, als haar vergunt met het improductief verbruik ten minste gelijken tred te houden. Gesteld dat alle handelsvoorraden onder het toezicht van rijksambtenaren waren geplaatst. Gesteld verder, dat aan deze ambtenaren streng was verboden van die goederen iets af te geven, tenzij in ruil voor andere goederen van gelijke of grootere waarde. Gesteld eindelijk, dat alle gebouwen en schepen, alle werktuigen en gereedschappen, alle pakhuizen jaarlijks van overheidswege werden nagezien en aan hunne eigenaars de verplichting ware opgelegd te bewijzen, dat zij in het afgeloopen jaar een hoeveelheid goederen hadden gekapitaliseerd van ten minste gelijke waarde als die werktuigen en schepen door het gebruik hadden verloren. Ware dit alles zoo verordend en zulk een regeling uitvoerbaar, dan zouden de voorraden nog wel verbruikt, de schepen en werktuigen nog wel versleten kunnen worden, maar voor al het verbruikte en door slijting teloor gegane zou iets anders in de plaats treden; de voortbrenging zou steeds het verbruik ten minste moeten evenaren. De onderscheiding echter, die elke kapitalist pleegt te maken tusschen zijn kapitaal en zijn inkomen, tusschen datgene wat hij niet en wat hij wel jaarlijks kan verteren zonder te verarmen, maakt zulk een regeling in de overgroote meerderheid der gevallen overbodig. De rol, in onze onderstelling aan ambtenaren toegedacht, wordt nu vrijwillig vervuld door den kapitalist; alleen met dit onderscheid, dat de equivalenten voor de tot verbruik door hen afgestane goederen niet altijd terstond worden ingeleverd, maar, dank zij

Pierson, t. a. p. blz. 164.