is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der geschiedenis van het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

102

raal-generaal. (Tot kapitein-generaal der Unie is Maurits nooit aangesteld.) Zoo was het stadhouderschap in Holland en Zeeland in 1585.

De macht van den stadhouder was niet erg bepaald. Doordat het ambt in 5 gewesten in één persoon vereenigd werd en deze behoorde tot het huis van Oranje en als hoofd van het leger grooten roem verwierf, werd de invloed van de stadhouders steeds grooter. Voor het volksbesef waren zij de Souvereinen van het land. Aan gezanten van Indische vorsten werden zij als zoodanig voorgesteld. „Hij was vorst en onderdaan; stond te „gelijk onder, naast en boven de Staten. Hij moest verschillende „souvereinen gehoorzamen en enkele rechten der Generaliteit „tegen hen beschermen en buiten hen om in hun gebied souve„reine rechten uitoefenen." (P. L. Muller). Half souverein, half ambtenaar moest zijn verhouding tot de Staten wel leiden tot botsingen.

§ 44. BESTUURSINRICHTING. (III.)

Een zeer invloedrijk ambtenaar in de republiek Raad- # was raadpensionaris van Holland. Steden en an^Ho"knd Sewes^en m de Nederlanden moesten steeds hun * rechten verdedigen tegenover de toenemende vorstelijke macht. Zoolang er gevonnist werd volgens het Germaansche recht, dat door ervaring bekend en in de landstaal beschreven was, konden de besturende burgers zelf dat doen. Maar toen het Romeinsche Recht ingang vond en de vorst daarin zijn steun zocht, moesten ze de hulp inroepen van een Raad, die een pensio of belooning genoot in tegenstelling met de andere Raden, welke niet bezoldigd werden. Deze pensionaris moest met het Romeinsche Recht bekend wezen. Groote steden namen zulk een advocaat in vasten dienst. Hij kreeg weldra in de steden grooten invloed. Ook de ridderschap in Holland, die het platteland en de kleine steden en dus het grootste deel van het gewest vertegenwoordigde, nam zulk een ambtenaar in dienst. Kwamen nu de belangen van het geheele gewest in de knel, dan trad de advocaat van de ridderschap op en kreeg in die kwaliteit in Holland en Zeeland den naam van „advocaat van den lande". In andere gewesten heette hij secretaris van Staat, griffier, landsschrijver of syndicus. Dit ambt is dus ontstaan tengevolge