is toegevoegd aan je favorieten.

Het verstoorde mierennest

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

312

In het tuintje en hunne woning verrichtten zij hun werk gezamenlijk. Zij speelden met de kinderen; die tierig groeiden van zeelucht en zon. 's Avonds legden zij hen in hun bedjes ah een vader en een moeder. Buiten zaten zij dan in 't aanschemeren hun thee te drinken, luisterend naar de grammofoon, of praatten in hun huiskamer over de dingen van vandaag en morgen. Soms wilde zij ook wel spelen op het kleine serafineorgeltje, dat Jonathan uit de roode kamer boven naar hun woning had gebracht. Smachtende liederen zong ze bij de teedere, sleepende begeleiding. Hij mijmerde dan naar zijn vroeger huis terug, waar een der buren juist zoo'n orgeltje in den lauwen zomeravond neuren liet over de tuintjes. Tot zij opstond, hem speelsch over de vingers tikte:

— Kom, ouwe man, we moeten naar bed!

Eens op een avond was hij blijven zitten, en ze had hem gevraagd wat hem scheelde. Met de kleine witte hand streelde ze hem door de haren. Wat kon ze voor hem doen?

Hij lichtte het hoofd niet op. Zij mocht niet de tranen zien in zijn oogen. Haastig was hij weggegaan, de kamer uit.

In de ruimten van den tijd dreven de stille zomermaanden verder. De braamstruiken in de duindellingen droegen donkere, glanzende vruchten. Vaak namen Jonathan en Meggy de kinderen mee op verre tochten om de beste plekken te zoeken. Dan kropen ze tegen de hellingen omhoog, beurden de lange doornige ranken, bedolven zich in 't struweel om de zoetste vruchten uit hun schuilhoeken te halen. Omlaag in het witte zandnest speelden de kinderen, men hoorde hun vroolijke kreetjes in den stillen zomerdag. Soms, onder 't zoeken, richtte Meggy zich op, en luisterde, en lachte.

— Hoor je ze pleizier hebben? De schatten!