Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 10 —

hoe ook gemarteld en afzonderlijk ondervraagd, bleven hun onschuld volhouden. Toch werden zij ter dood veroordeeld en met P. Se/vatius Vynck van de orde der Franciscanen en den Zeereerw. Heer Tossaint Silvius, in het openbaar terechtgesteld.

Op het schavot betuigden zij nog voor de eerbiedig saamgestroomde menigte hun onschuld aan de hun ten laste gelegde misdaad.

De overige P.P. Franciscanen en Jezuïeten werden nu uit de stad verbannen, de Jezuïetenkerk werd den franschen Calvinisten toegewezen en de Congregaties misten hun kerk en Directeuren. Vijf en dertig jaren lang duurde deze verbanning, maar O. L. Vrouw waakte over haar Congregaties en zou ze weldra nog heerlijker doen bloeien dan voorheen.

In 1673 veroverde de fransche koning Lodewijk XIV Maastricht en herstelde de katholieken ii} al hun rechten. De religieuzen mochten terugkeeren. De Jezuïeten maakten aanstonds van die vrijheid gebruik, kwamen wederom in het bezit van hun kerk en college en begonnen opnieuw de jeugd van Maastricht en omstreken te onderrichten. lederen Zondag preekten zij behalve in hun eigen kerk ook in de Lieve-Vrouwen, terwijl een scholastiek de christenleer verklaarde in de Sint Martinus te Wijk en te Limmel. Aanstonds ook verzamelden zij de trouwe congreganisten en herstelden minstens drie Mariacongregaties evenals vroeger voor de studenten, voor jonge-en voor gehuwde mannen.

Voor den bloei dezer Congregaties zorgde O. L. Vrouw zelve op geheel bijzondere wijze. De ons nog allen bekende P. R. Pierik, S.J. verhaalt het ons in de Maandrozen van 1885 en ontleent de bijzonderheden aan de onder eede afgelegde verklaringen gegeven voor de kerkelijke rechtbank, in 1618 ingesteld door Ferdinand van Beijeren, Bisschop van Luik.

Op korten afstand van Dinant ligt het dorpje Foy en in de nabijheid daarvan, 8 kilometer van Dinant, het oude kasteel van Celle. De adellijke heer van Celle verkocht in de maand Juni 1609 aan den schipper Innocentius Delimoir een reusachtigen eik van acht voet middellijn. Hij wilde dezen tot planken laten zagen voor het bouweu eener schuit en belaste daarmede een timmerman van Foy, Gilles de Wantin. Weldra bleek echter dat de boom vermolmd was en nu gaf hij last. ze in stukken te zagen voor brandhout. Bij de uitvoering van dit bevel ontdekte Wantin geheel ingegroeid in het binnenste van den eik een klein kapelletje, een kleine holte verborgen achter drie ijzeren staven, waarin verschillende steentjes, de haarvlecht eener vrouw en een klein steenen beeldje der H. Maagd met het Kindje. |

Zoodra de vrome heer van Celle deze vondst vernam liet hij het beeldje naar het kasteel brengen plaatste het eerst in een

Sluiten