is toegevoegd aan uw favorieten.

Levensschets van den E. P. Mathias Wolff. S.J.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

P. Wolff mocht er wel een bijzondere beschikking der Goddelijke Voorzienigheid in erkennen, dat deze twee vrome dochters met zulk doel tot hem kwamen, en in haar de personen zien, met wie hij het groote werk zou kunnen aanvangen. Maar hoe en waar zou haar de noodige religieuze vorming gegeven worden? In Holland was dat onmogelijk, dus moest uitgezien worden naar een andere gelegenheid.

In het noviciaat te Rumbeke en Destelbergen had hij kennis gemaakt met medebroeders, die voor Frankrijk soortgelijke stichtingen reeds hadden zien tot stand komen en veel was daar over die instellingen gesproken.') Zij waren meerendeels opgericht met medewerking van leden der Jezuïeten-Orde.

Toen namelijk de Sociëteit was opgeheven hadden zich verschillende ex-Jezuïeten aaneengesloten in vereenigingen om zooveel mogelijk de werkzaamheden der ontbonden Orde voort te zetten. Zoo was in Frankrijk ontstaan de „Société des Pères du Sacré Coeur" en in Italië de „Société des Pères de la Foi", terwijl in 1799 de beide vereenigingen, onder goedkeuring van Paus Pius VII, werden saamgesmolten. In 1806 kwamen die „Paters van het Geloof" in België, waar hun door den Bisschop van Gent, Mgr. Fallot de Beaumont, het Seminarie van Roeselare werd toevertrouwd; hij gaf er de leiding van in handen der Paters Leblanc en Bruson, die beiden later mede-novicen waren van P. Wolff.

Een der meest bekende „Paters van het Geloof" was P. Joseph Varin d'Ainville. Als officier in het regiment van Condé was hij in 1794 met het Fransche leger België binnengetrokken, toen hij, na een langen zielestrijd, aan Gods roepstem

1) Opmerking verdient het ook, dat 3 mede-novicen van P. Wolff stichters geweest zijn van dergelijke Congregaties:

P. Lodewijk Donche: de „Congregatie der Christelijke Scholen" in 1820 begonnen met twee Tilburgsche meisjes, Maria Bakkers en Adriana van Pauwenbergen.

P. Isidoor van de Kerkhove: de „Dienstmaagden van Maria" in 1822 te Erps-Querbs.

P. Charles Leblanc, in 1833: de „Zusters van het kind Jezus".