Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

Het Liberalisme.

Wij leeren, dat de burgerlijke maatschappij een instelling is, door de natuur, en dus door den Maker der natuur, door God gewild. Hij heeft aan den mensch die onte* gensprekelijke neiging, dien duidelijk waar te nemen aanleg gegeven, om met zijn medemenschen in gemeen* schap te leven. Die neiging, die aanleg is voor ons een vingerwijzing van den Schepper.

Naar onze leer en overtuiging is alle gezag afkomstig van God, zijn wij dus daaraan onderdanigheid verschuldigd in geweten. Wie de drager van het gezag is, of dat is een koning, een republikijnsche regeering, dat is niet door God bepaald, dat hangt af van menschelijke feiten, zooals de geschiedenis die opteekent. Als door den tegenwoordigen oorlog Duitschland een republiek en Frankrijk weder een koninkrijk zouden worden, dan zou dat beteekenen eene verandering van de dragers van het gezag; maar het gezag zelf zou blijven en dus de onderdanen binden in geweten. Want het gezag is van God. Ware het van de menschen afkomstig, niemand of niets zou hen kunnen beletten, dat gezag ook weder buiten werking te stellen, omver te wer* pen, wat zij zelf hebben opgericht. Wij belijden, dat alle recht zijn oorsprong heeft in God, die de natuurwet maakte en Zijne geboden gaf; — die aan het staatsgezag de macht verleende, om de onderdanen met zijne wetgeving gewetens* plichten op te leggen.

Wanneer het recht niet komt van God, doch van de menschen, wanneer het geen anderen grond heeft, dan een overeenkomst, door de staatsburgers met elkander aangegaan, toen zij afspraken, dat zij een gezag zouden instellen, dat hen allen leiden zou door wetten en voor* schriften, dan is de overheid slechts de uitvoerder van den volkswil; mag zich geen gezag aanmatigen verder dan het volk wil geregeerd worden. En werkelijk wordt dat alles en méér nog door het Libe* ralisme geleerd.

Wilt gij eens vernemen, hoe de burgerlijke maatschappij,

Sluiten