Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

Mater spiritualium ! Moeder van het geestelijk leven. Zoo staat zij voor ons, door de H. Kerk zelve erkend en gehuldigd als een veilige leidsvrouwe op den weg ter ware wijsheid, als een uitstekende leermeesteres der christelijke deugd en volmaaktheid voor alle tijden, niet het minst voor den onzen, volgens de uitspraak van onzen zorg- en kommervol regeerenden Paus Benedictus XV, zoo ernstig bedreigd door en bijna geheel ter prooi gévallen aan het heilloos naturalisme.

Dit naturalisme, deze ongebreidelde aardschgezindheid noemde de Paus met klem en nadruk: „het grootste geestelijk vergif dezer eeuw". En de betreurenswaardige gevolgen van dit vergif aangevend, verklaarde hij, dat dit naturalisme „het verlangen naar de hemelsche goederen verzwakt, de vlam der goddelijke liefde dooft, den mensch aan den invloed der genezende en verheffende genade van Christus onttrekt, en hem, beroofd van het licht des geloofs, en alleen uitgerust met de zwakke en bedorven krachten der natuur, overlevert aan zijn wilde hartstochten".

Tegen dat heilloos naturalisme nu, hetwelk den mensch, prat op eigen inzicht en oordeel, bouwen doet op eigen kracht, en in vuig egoïsme alles concentreert op hem zeiven, heeft Teresia in haar bewonderenswaardig leven een onverzoenlijken strijd aangebonden door haar onschokbaar geloof, haar alles trotseerenden Gods-moed, haar over alles triomfeerende liefde.

Tegen dat naturalisme, enkel op vergankelijke goederen gericht, en daarom, door Sint Paulus reeds als sapientia carnis1), „wijsheid des vleesches" gebrandmerkt en gedoemd, richt Teresia ook in haar geschriften haar leerstoel van bovenaardsche, hemelsche, goddelijke wijsheid8), en slingert zij den dwaalleeraars van dat vloekwaardig streven met fiere verontwaardiging het vonnis in het aangezicht: „De wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God" 8)

Daarom achten wij een bevattelijke uiteenzetting harer hemelsche levenswijsheid nu vooral van nut en beteekenis, en rekenen wij het

!) Rom. VIII 7. «) I Cor. I 24. *) I Oor. III 19.

Sluiten