Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

omdat „„gij den hpovaardige als ware het gewond hebt en vernederd" " en door mijn opgeblazenheid scheidde ik mij van U en mijn gelaat, al te zeer gezwollen, sloot mij de oogen dicht. Doch 24) gij, o Heer, blijft tot in eeuwigheid en niet in eeuwigheid toont gij ons Uw toorn, omdat gij erbarming hebt getoond met de aarde en het stof en gij voor Uw aangezicht mijn gevallen schoonheid hebt willen vernieuwen. En met inwendige prikkelen hebt gij mij steeds weer opgejaagd, opdat ik geen rust zou vinden, tot ik door de oogen mijner ziel Uw bestaan onwankelbaar had erkend. En mijn opgeblazenheid zonk ineen door de geheime hand Uwer medicijn en de blik van mijn geest, vertroebeld en verduisterd, werd door de prikkelende zalf van de heilzame mij van U gegeven pijn van dag tot dag verhelderd."

Tegenover deze nieuwe gewaarwordingen stelt Augustinus dan, als om waarlijk een eerlijke proef te nemen, die geschriften, die hem ook bij zijn geestelijke verandering het langst hadden kunnen blijven begeleiden, Plato en de Neo-Platonici.

Nu ontstaat een wisseling van geestelijke experimenten: verrijkt, sinds hij den laatsten keer zich dieper met hun gedachten bezig hield, mist hij thans plotseling in hen en voor het eerst die nederigheid, de dienende liefde van de Godsvoorstelling, hoe indrukwekkend ook thans nog de hoogheid, de majesteit van het Goddelijke zich in die geschriften voor- zijn oogen plaatst.

Juist nu hij, — de geest die later, zoo machtig het eene oogenblik, zoo speelsch het volgende, met antithesen vermocht te werken, — die diepste levensantithese heeft vastgegrepen en daarin de eenheid heeft gepeild van deze uiterste polen: het allerhoogste dat in nederigheid diep afdaalt, het machtigste tot het meest machtelooze, een eenzaam mensch, nu is met deze aanvaarding het booze als afgekocht en ligt het gansche leven voor hem open als bevestigd en bevestigend en daardoor stralend. Het geheele verdere zevende boek der Confessiones is als een psalm in majeur. Wanneer hij aan het eind den strijd dier dagen overziet, werkt hij als hoofdzaak deze tegenstelling nogmaals uitvoerig uit: hij erkent, hoezeer de Platonici hem meer kennis en . . . meer hoogmoed hadden gebracht; doch het nieuwe, wat hij thans bespeurd en vastgehouden had, illa aedificans caritas a fundamento, die liefde

BSS9I

Sluiten