Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

503

„Neen, neen!" antwoordde d'Artagnan. „Drommels nog toe! Men gaat een veldtocht beginnen en ik wil er bij zijn. De hoop er ten minste iets bij te winnen."

„Wat wilt gij dan nog meer worden ?"

„Maarschalk van Frankrijk, pardieu!"

„O! zoo!" riep Porthos, met een bhk op d'Artagnan, wiens Gasconsche grappen hij nooit volkomen had leeren verstaan.

„Vergezel mij, Porthos," hemam d'Artagnan, „en ik zal u hertog maken."

„Neen," antwoordde Porthos, „Mouston heeft genoeg van den oorlog. Bovendien bereidt men mij, bij mijn terugkeer, een plechtigen intocht voor, die al mijn buren van wangunst zal doen'barsten."

„Daar kan ik niets op antwoorden," verklaarde d'Artagnan, wien de ijdelheid van den nieuwen baron maar al te goed bekend was. „Tot weerziens dus, mijn vriend."

„Tot weerziens, waarde kapitein!" riep Porthos, „gij weet dat, zoo gij mij een bezoek wilt komen brengen, gij in mijn baronie steeds even welkom zult zijn."

„Ja," zeide d'Artagnan, „na afloop van den veldtocht zal ik komen."

„Het gevolg van mijnheer den baron wacht," sprak nU Mousqueton.

En de twee vrienden scheidden, na elkander de hand te hebben gedrukt. D'Artagnan bleef aan de voordeur staan, met weemoedigen bhk den zich verwijderenden Porthos volgende.

Doch na een twintigtal passen te hebben afgelegd, hield Porthos eensklaps zijn paard in, sloeg zich voor het voorhoofd en keerde terug.

„Nu herinner ik het mij," zeide hij.

„Wat ?" vroeg d'Artagnan.

„Wie de bedelaar is, dien ik heb doodgeslagen."

„Waarlijk ? Wie was hij dan ?"

„Die schurk van een Bonacieux."

En verheugd eindelijk licht voor zijn geest te hebben verkregen, voegde Porthos zich weer in draf bij Mouston, met wien hij om den hoek der straat verdween.

Sluiten