is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedenis der toonkunst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

kelijk nog werkzaam was onder den kapelmeester Laser; eenige jaren later, 't moet vóór 7 April 1560 zijn geweest, ging Laser naar Stuttgart en . volgde Lassus hem op.

Toen kon hij zijne gaven naar alle zijden ontplooien! De slerk bezette hofkapel — een tijdgenoot zegt, dat ze bestond uit 12 bas-en 15 tenorzangers, 22 sopranen (waarbij 16 knapen) en eene groep van 30 instrumentalisten — bood hem gelegenheid zijne werken zoo volmaakt mogelijk ten gehoore te brengen, en prikkelde hem steeds tot het schrijven van nieuwe composities.

Lassus is zeker een der meest vruchtbare toondichters, die ooit geleefd hebben; het aantal van zijne werken gaat de twee duizend te boven. Hij schreef met het grootste gemak in eiken stijl. Zijne talrijke missen en vooral zijne motetten op Latijnschen tekst, bevatten kerkmuziek in den echten zin van 't woord; zijne wereldsche — somtijds zeer luchtige — composities vormen met die gewijde muziek de scherpste tegenstelling en treffen eveneens den vereischten toon, op de meest gelukkige wijs. Onder zijne voornaamste werken staan nog bovenaan de „Zeven Boetpsalmen", die op hertog Albrecht zulk een grooten indruk maakten, dat hij gelastte er een calligrafisch afschrift van te laten maken, en dit — in vier deelen gescheiden — in evenveel kostbare, met zilver beslagen banden liet inbinden. Dat exemplaar vormt nog heden ten dage een der grootste schatten van de bibliotheek te München.

Dat een kunstenaar als Lassus vele eerbewijzen ten deel vielen is begrijpelijk! Bij gelegenheid van een bezoek aan Parijs, werd hij door koning Karel IX met vorstelijke onderscheiding behan-

91