is toegevoegd aan uw favorieten.

Daadlooze droomen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

WEEEZIEN

Hij bleef even strak voor zich uitstaren, en zijn kaken sloten zich heftig op elkaar. Er sloeg een klok door de stille duisternis, en het was, of met dien klank al de verloren intimiteit nog eens in bitteren weemoed langs zijn hart streek; de zomeravonden, als ze samen op het balcon zaten, en zij met een vagen glimlach zei: „Zoo zoet als vanavond hebben de rozen nog nóóit gegeurd"... En de zomeravonden, als ze langs de zee liepen, en op 't slaan van diezelfde klok, ze hem aankeek en zei: „We moeten naar huis, liefste... We moeten naar huis..."

Toen ging hij verder, met een heeschen klank in zijn stem: „Anderhalf jaar was 't of geen onheil ons naderen kon, zóó gelukkig, zoo stil te-vrede waren we samen. Toen wisten we, dat we een kindje zouden krijgen; en van dat oogenblik af was ze zoo angstig-lief, zoo doorschijnend-stralend, zoo intens in haar levens-liefde, dat ik, nu ik terugzie, wel voel, dat ze ieder uur afscheid nam van haar bestaan, dat ze zoo hartstochtelijk lief had. En den laatsten dag, toen ik bij haar bed knielde, vol van wanhopige hoop, omdat ik het niet kon gelooven, toen zag ze me verklaard en bijna vroolijk aan en zei zacht: „Je moet er niet over tobben, liefste; ik heb het