Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Piet. En hoe zou hij aan 't geld komen, dat hij met ons deelt?

Willem (lachend). Dat doet er niet toe, dat moet hü weten, als hij ons ook maar wat geeft.

Kobus (glimlachend). Jelui denkt er aardig over.

Jozef (somber). Laat ieder denken, zooals hij wil, Kobus; dat zijn onze zaken niet.

Willem. Luister eens, Jozef: We zullen je wel tegen Peters helpen, als 't noodig is; maar wanneer kom je nu eindelijk eens bij onze partij van de S. D. A. P.

Jozef. Daar kom ik niet bij! Je schiet er niets meê op. Jelui bereikt ook niets. Heel de wereld is een warboel t De S. D. A. P. zal dat niet verbeteren!

Kobus (lachend). Integendeel. Ik heb nog geen enkelen socialist gezien, die gelukkig en tevreden was.

Willem (korzelig). Wel ja, je mot je maar laten vertrappen door het kapitaal; daar schiet je wèl wat meê op! Doe jij het dan maar, Kobus, ik niet!

Piet. En ik ook niet! Lang genoeg zijn we beschouwd als het uitvaagsel van de maatschappij!

Kobus (lachend). Dat zijn allemaal van die krachttermen, die je in „Het Volk" leest! 't Is wonder, dat je nog niet begint over: „De Dictatuur van het Proletariaat!" Kom, kom, wees wijzer, Piet!

Jozef (steeds somber en gedrukt). Wel ja, wat geven die woorden, als we er toch niets meê vooruitgaan. Wie bekommert zich om ons? Kijk maar eens wat een woningen in deze buurt, 't Zijn krotten. De arme kinderen worden er ziek, de barbaarschheid der verhuurders, die ons een afschuwelijk huurgeld afpersen, roept om wraak!

Willem, 't Is een eeuwige schande!

Jozef. De gegoede burgers in de stad, weten niet eens, wat een armoede en ellende hier is. De eenigen, die het weten en ons helpen zijn de priesters en de Vincentiusheeren. Meneer Darbeck komt gelukkig nog al eens bij ons.

Sluiten