is toegevoegd aan je favorieten.

Rede ter gelegenheid van de onthulling van het monument voor Franciscus Cornelis Donders, uitgesproken in het groot-auditorium der Rijksuniversiteit te Utrecht op woensdag 22 juni 1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die voordracht had tot titel : „Protection de 1 enfance contre le travail premature". En dat op een geneeskundig congres in 1879. En wie zich verwonderde over deze vermenging met vreemd element, verwonderde hem, in wiens geest de saamhoorigheid van volksgezondheid bevorderende geneeskunde en haar wetsbedeeling van zelfsprekend was. En hoe heeft donders zijn belangstelling getoond voor de regeling van ons geneeskundig onderwijs!

Hij was een leermeester van zeldzame begaafdheid. Helder en bekorend waren 2ife lessen .waarbij een met zorg in paragrafen ontworpen en herhaaldelijk herzien, dictaat als uitgang diende. Nog klinkt somsin mijn oor paragraaf li „De physiologie is de leer van hetleven, zooals het zich krachtens Vorm en samenstelling in harmonische bewegingen onder zekere uitwendige voorwaarden, aan ons openbaart".

Het is'Bièt de vraag Wat donders thans of later aan dezen zin zou te wijzigen hebben gevonden. Maar op het oogenblik, dat hij hem uitsprak, was elk woord gewogen geweest, naar beteekenis en klank, en hielp het dienovereenkomstig mee aan de bedoelde uitwerking van het geheel.

Kan het bevreemden, dat een leeraar, die het zoo nauw nam met wat hij zijn studenten gaf, nadacht over een inrichting, een organisatie van onderwijs, die èn in staat zou stellen om op te leiden tot kundige geneesheeren, èn dit tevens zou kunnen doen in een voor ons land voldoend aantal.

Bevredigt U niet elke oplossing, waarvan hij uitkomst verwacht, onthoudt voor het minst Uw bewondering niet aan de juistheid, waarmede hij de nooden peilt, en aan de doeltreffendheid van menig aangegeven middel voor kwalen, wier ontwikkeling hij met voorspellenden geest aangeeft'.

In 1875, in zijn openingsrede ter algemeene vergadering van de Nederlandsche maatschappij tot bevordering der geneeskunst binnen deze stad, voorziet hij reeds dat de studie der geneeskunde meer en meer tijd zou vorderen en tot vereenvoudiging der propaedeusis zou nopen. — Hij toont de bezwaren aan van het onder de Wet van 1865 heerschende stelsel der staatsexamens en vraagt reeds splitsing van de zesde klasse van het gymnasium in een afdeeHng voor de letterkundige, en een af deeling voor de natuurhistorische richting. — En eindelijk — oogenschijnlijk kleine, maar in wezen toch weer kenmerkende bijzonderheid voor begrip van het organiseerende en verbindende in donders' denken, hij ontzegt het toereikende en genoegzaam deugdelijke aan de Senaatsadviezen over de toen aanhangige vraagstukken in zake het geneeskundig hooger onderwijs, omdat die adviezen door eiken Senaat afzonderlijk waren uitgebracht, en niet waren ontstaan als vrucht van ondöffing overleg, en omdat geen wederkeerig onderzoek gelegenheid had gehad eenheid van oordeel te bevorderen. —

Hij verlangt, dat elke faculteit een paar harer leden in dergelijke gevallen mocht aanwijzen om met leden derzelfde faculteit van andere hoogescholen te confereeren. In dezen eisch van samenWerking tot een gemeenschappelijk doel, neemt ge weer dezelfde geestesneiging waar, die donders voerde tot het werk onzer Maatr schappij. De neiging om door verbinding en samenwerking van het