is toegevoegd aan je favorieten.

Rede ter gelegenheid van de onthulling van het monument voor Franciscus Cornelis Donders, uitgesproken in het groot-auditorium der Rijksuniversiteit te Utrecht op woensdag 22 juni 1921

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

afzonderlijke te komen tot een orgaanfunctie van harmonischer en daarom bhfvender beteekenis voor sociale ontwikkeling.

En als donders in genoemde rede die Maatschappij opwekt om van haar roeening betreffende de bevoegdheden der verschillende graden te doen Wijten, zeggende: mÏM

„De verhouding der geneeskunde tot den Staat lag.ffeseds? binnen • dert kring harér bemoeiingen", dan hooren wij in die woorden den man spreken, die im de vijf en twintig jaren, die de Maatschappij toem tóde, aam haar streven niet vaeemd was gebleven, maar het mei zijn onverzwakte belangstelling was blijven volgen, en de waarde er van voor de behartiging van eemig geneeskundig landsbelang had onderkend.

Ik moet mij beperken, de tijd dringt. — Ik heb getocht U iets te laten gevoelen van de vereering, waarmede wij tegenover ponders' grootheid staan; en van den dank die Nederland's geoeeslpiWr dagen, <Èe hu» Maatschappij ook, jegens den beroemden landgenoot vervult. j

Een beschrijving uit grondige studie van donders wezen en werk is tot heden «niet ;§eje«e«i. En toch zou zij in hooge mate jfcerzaam en boeiend kunnen a^n. Psychologische stadie en onderzoek aangaande jonge menschen wordt niet verzuimd. Van de volwassenen had vaak het misdadige -type voorkeur. Het genie had zelden zoo diepe belangstelling. Het wekt eerbied, het verwondert, het bezielt- — geboeid «taan wij op aéstand.

Ik weet niet of ooit anders «dan bij Zola — en met zijn medewerking, beproefd is, om denkgang en denkwüfe van een buitengewonen geest *a te gaa»*n te ontkden. Winkler besprak indertijd dit onderzoek in de Gids. Van donders zou zulk een studie een heerhjk beeld hébben gegeven, als van eeamensGhve^hijning zooals uiterst zelden zksh -onder ons opdoet. Er zijn genieën, die eenzijdig hoogar reiken, teele»k«k«*lechts, die qptde .h^>gte van donders zió harmonisch in veelheid van gaven ontwikkeld zijn.

Wat ;in onze kennis van donders ontbreekt valt heel moeilijk aan te «vullen.

Mocht iemand zich gedrongen gevoelen om met wat wij weten, en met wat.wsg in de iherinnering van velen leeft, een poging te ondernemen tot he*phrijving van dit irijke leven, hij zal ongetwijfeld op leemten «fcqiten.

Dan geloot ik, dat hij voor vergelijkende nayerschmg, voor verklaring, «voor aawtulling wellicht, een aanwijzing zal kunne» vinden in wat valt op te sporen van driemannen, die voor dondbrs' leven in zijn opkomst van beteekenis zijn geweest. Van den Nederlander voorhelm bghneevoogt, den Engelschman SirjWiLLiAM bowman en den Duètsöher von griaefe. Onder dqnderp'«vrienden bekleedde -moleschot een voorname plaats. Maar er was tegenstelling, misschien zelfs meer dan overeenkomst.

Aan de drie «bovengenoemden en vooral aan sghkeevoogt en von graefe, voelde donders zich verwant.

Maar wat wij uit donders'«werk kennen, is rechtvaardiging »te over van onze begeerte om voor hem — zooals wij het deden voor boerhaawe—een rgödenkteöken te stichten tot durende gedaoh-