is toegevoegd aan uw favorieten.

Godsdienst en werkelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in deze drie is de verhouding tusschen God en Wereld of God en Mensch op drieërlei wijze uitgedrukt.

Zetten wij voorop, dat de allerlaagste vorm van religie in aanleg reeds datgene behelst en is, wat in haar hoogste openbaringswijze aan den dag treedt, dan kunnen wij zeggen: religie is het besef of de verzekerdheid van de eenheid van Eindig en Oneindig. Want eene Ahnung, een voorgevoel daarvan heeft reeds de wilde, die zich buigt voor boom of rivier. Zijne verhouding tot die voorwerpen is een geheel andere dan die, waarin het dier daartoe staat. Het dier ziet een boom, krijgt daarvan een indruk, eene voorstelling; nu kan het naar dien boom heengedreven worden, omdat het zich daarvan eene schuilplaats belooft tegen verschroeiende zonnehitte of tegen vijandige natuurgenooten; misschien verwacht het van den boom voedsel, omdat deze vruchten, althans bladeren draagt. Door de voorstelling van eene rivier wordt het beest gedreven om daarin zijn dorst te gaan lesschen of zich te verfrisschen; tenzij het angst voor dit laatste heeft, omdat het water een gevaarlijk en schadelijk element is gebleken. Dit alles kan men geen religieuze verhouding tot boom of rivier noemen. Nu kan de mensch op dezelfde wijze staan tegenover de hem omringende Natuur; maar daarin steekt dan ook niet zijne bijzondere menschelijkheid. Als mensch komt hij juist tot eene andere verhouding. Wensch en vrees veranderen van inhoud. Velen hebben den godsdienst willen verklaren uit behoefte aan geluk, verlangen naar bevrediging; in de religieuze verhouding beteekenen de voorwerpen, waarop vrees en wensch betrokken zijn. nog iets meer dan bevredigers van of hinderpalen voor natuurlijke behoeften. Er wordt relatie gedacht tusschen. den mensch en goddelijke machten, die zich in boom of rivier openbaren. De mensch projecteert zijn eigen innerlijk, zijn eigen wezen, zijn eigen geest buiten zich in de Natuur, die dan uitdrukkingsmiddel voor 's menschen geest wordt; de oneindigheid van zijn eigen wezen draagt de mensch over op de wereld. Zelfs de stok of steen, waarvoor de, wilde zich nederbuigt, is voor hem iets meer, en de vrees of eerbied waarmede hij ze bejegent, is de reflex van eene nog duistere, verwarde, vage voorstelling van eene onzichtbare, geestelijke macht, die door het stoffelijk voorwerp wordt vertegenwoordigd. De Natuur is belichaming of behuizing van iets bovennatuurlijks. Ook in zijn primitiefsten staat heeft de mensch in het voorwerp zijner vereering altijd nog iets beters dan men oppervlakkig zou meenen. Ons