is toegevoegd aan je favorieten.

Godsdienst en werkelijkheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

moge beginnende geestelijkheid nog zeer laag en plat voorkomen, een begin van geestelijkheid is zij niettemin en daarom een verheffing boven wat zichtbaar is met het lichamelijk oog en tastbaar met de handen.

Slechts in den menschelijken geest kan het bewustzijn van het Absolute of Volstrekte, dat alles omvat, Ik en niet — Ik beiden, geboren worden. Ware de mensch niet zelf openbaring van het Absolute, hij zou de gedachte van het Absolute niet eens kunnen hebben. Feuerbach heeft het oude Bijbelwoord: „Qod schiep den mensch naar Zijn beeld" omgekeerd en er van gemaakt: „De mensch schept zich een god naar zijn eigen beeld". Wie zal de betrekkelijke juistheid ook hiervan ontkennen ? De mensch stelt zich Qod voor overeenkomstig zichzelven; het hoogste en het beste van ons zeiven leggen wij veelszins hooger en beter nog in onze voorstelling van Qod. Maar wij zouden ons geen beeld van Qod kunnen vormen als Qod niet Zijn beeld, Zijn stempel ons had ingedrukt, als wij geene beelddragers Qods waren. Jacobi heeft dit schoon uitgedrukt, toen hij zeide: toen Qod den mensch schiep, theomorfiseerde Hij hem (-maakte Hij hem godvormig); dus heeft de mensch een zeker recht, als hij Qod denkt, Hem te anthropomorfiseeren (=Hem menschvormig te maken).

In aanleg, naar zijn wezen en bestemming is de mensch oneindig. Tegenover de Natuur gevoelt hij zich onvrij; maar in wezen vrij. Religie nu is de verzekerdheid, dat men als eindig schepsel één is met het Oneindige. De ware eenheid is echter geen doode afgetrokkenheid, niet de eenheid van den nacht, waarin alle katten grauw zijn, niet de eenheid van den chaos, waarin de lichtstraal des Geestes nog geene scheiding en dus nog geen orde heeft gebracht; de ware eenheid staat evenmin vijandig tegenover de veelheid, alsof deze haar beperken en buitensluiten zou; de ware eenheid is veeleenigheid, de ideëele of hoogere eenheid van het vele, zooals b.v. het ééne leven van het organisme niet buiten en tegenover de vele organen gedacht mag worden, maar de totaliteit daarvan is. De ware eenheid is m.a.w. vereeniging. Zoomin als zich aan de magneet Noordpool en Zuidpool uiteen laten rukken, of in den electrischen stroom zich negatief van positief laat scheiden; evenmin is in den godsdienst eindigheid van oneindigheid af te scheiden, al moet men ze wel onderscheiden. Onafscheidelijkheid van tegendeelen, dat is de ware eenheid, Zonder oneindigheid zou de eindige mensch geen religie kunnen heb-