is toegevoegd aan je favorieten.

Middeleeuwsche heldensagen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

284

TWARDOWSKI EN DE POOLSCHE JONKER.

„Als in den komenden nacht de maan juist boven de gouden torenspits van den Wawel staat, begeef u dan naar de rotsachtige heuvels, die zich ginds aan den rechter oever der Weichsel verheffen. Daar zult gij aan een kruisweg een vervallen hut vinden, die gij binnentreden moet. Kniel daar neder en neem alles, wat gij aan gemunt geld vindt, in de hand. Dan moet gij onophoudelijk van één tot negen en van negen tot één tellen, zoolang totdat gij het eerste hanengekraai hoort

Maar laat u bij het tellen door niets in de war brengen, anders zou al uw moeite vergeefsch zijn.

Volbrengt gij daarentegen, wat ik u aanraad, dan zult gij nog veel meer geld verkrijgen, dan gij verloren hebt."

De jonge edelman dankte zijn raadsman hartelijk en beloofde Zijn voorschriften nauwkeurig in acht te zullen nemen.

Zoodra in den eerstvolgenden nacht de maan boven den torenspits stond, begaf hij zich naar de aangeduide plaats. Spoedig waren de kruisweg en de hut gevonden; hij trad binnen, zag er het geld liggen en begon in geknielde houding te tellen.

Reeds had hij enkele uren met dit langwijlig werk doorgebracht toen plotseling de duivel in de gedaante en de kleeding van Twardowski binnentrad en tot den jonker zeide:

„Hé, wat doet gij daar? Qij hebt u vergist!"

„Volstrekt niet" antwoordde de jonker.

„Nu, tel dan verder," sprak de booze meteen hoonenden grijnslach, „gij zult er spoedig mee klaar rijn." En na die woorden verliet hij weer de hut

Maar toen de jonker weer verder wilde tellen, wist hij niet meer, bij welk getal bij opgehouden had. Wanhopig stond hij op en rende de hut Uit maar op hetzelfde oogenblik zwermde een schaar van helsch gedrochten op hem af en vervolgde den vluchteling, terwijl zij hem onder luid alarm aan de kleederen trokken of hem op