is toegevoegd aan je favorieten.

Middeleeuwsche heldensagen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

286

TWARDOWSKI BEDRIEQT DEN DUIVEL.

het einde van het zevende jaar hier niet afwachten en zoo besloot hij, vóór het jaar om was, naar Krakau terug te keeren.

Spoedig na zijn aankomst in zijn vaderstad gebeurde het eens, dat bij in een eenzaam woud bij Krakau wandelde. Vermoeid van zijn lange voetreis was hij juist op een omgevallen boomstam gaan zitten om wat uit te rusten, toen plotseling de duivel voor hem stond en zeide:

„Twardowski, de tijd is om en ik gebied u, volgens uw eed, naar Rome te gaan."

„Wat moet ik daar doen?" vraagde de toovenaar.

„Mij uw verkochte ziel afstaan."

„Dan zou ik een dwaas zijn," hernam Twardowski.

„Qij hebt toch gezworen, na zeven jaren in Rome te zijn ?"

„Dat ben ik ook nagekomen," antwoordde Twardowski, „maar ik heb niet beloofd in Rome te zullen b 1 ij v e n."

„Ellendige dubbeltong!" brulde de Booze in de hoogste woede, daar hij zich nu zelf door Twardowski bedrogen zag.

„Onnoozele, domme duivel!" riep Twardowski, „dacht ge soms, dat ik mij door u zou Uiten vangen als een lammetje door een gier van de Karpathen? Qij zijt in mijn val geloopen, niet ik in de uwe. En nu, scheer u weg, of ik zal u de kracht van mijn tooverboek leeren kennen!"

Buiten zich zelf van woede, pakte de duivel een reusachtigen pijnboom beet, rukte hem met wortel en al uit den grond en slingerde hem naar den arglistigen toovenaar. Door den schok tuimelde deze op den bemosten grond neer, waarop de vorst der duisternis met vreeselijk geratel verdween.

Toen Twardowski weer opstond, bemerkte hij, dat zijn rechtervoet gewond was; hij ziedde van toorn, terwijl hij zich vast voornam, den booze deze mishandeling betaald te zetten.