is toegevoegd aan uw favorieten.

Het groot vertelselboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

WAAROM DE SPINNEN

29

En toen hij nog altijd geen antwoord kreeg en de kerel zijn rechterhand bleef vasthouden, gaf hij hem met de linker een slag — nee, maar, wat een slag!

Het gevolg was, dat die hand nog veel dieper in de kleverige rubber bleef vastzitten, dan de andere.

Nu probeerde hij zich los te werken door den vreemden kerel te schoppen en met de knieën te stompen, maar hij bereikte daar niets anders mee, dan dat hij hoe langer hoe vaster aan den rubberman bleef kleven.

Eindelijk zat hij vast met zijn geheel lichaam en kon geen vin meer verroeren.

.Tot zoolang hadden de jongelui hem laten spartelen, maar nu sprongen ze te voorschijn, schaterend van het lachen!

Maar ze dachten er niet aan, hem te verlossen — nee hoor!

„Blijf daar maar zitten, leelijke dief, tot de morgen aanbreekt," riepen ze hem toe — „dan komen we allemaal terug om eens te zien, wie je bent!"

En .daar zat nu Anansi den geheelen verderen nacht vastgeplakt aan den rubberman!

Dat was vreeselijk, maar nóg meer zag hij tegen den morgen op!

Eindelijk kwam de zon op, en zoodra het helder licht was, kwamen de jongelui uit het dorp eens kijken, welken dief ze wel gevangen hadden.

Ja, daar zat de roover, met zijn geheele lichaam geplakt tegen den rubberman!

Hij probeerde zijn gezicht te verbergen, maar zij lichtten het op en — neen maar! — daar zagen ze, dat Anansi zelf de dief was!

Dat had niemand ooit kunnen denken! Zoo'n gulzigaard toch, die zijn halven oogst alleen opschrokte, zonder er zijn vrouw en zoon iets van te gunnen!

O, wat schaamde Anansi zich, dat nu alle menschen in het dorp zouden weten, wat een leelijke, zelfzuchtige gulzigaard hij was!